Restaurant Monsieur Bleu: vaut le voyage

06/11/2016

 

1171_Monsieur_Bleu_At_The_Palais_de_Tokyo.jpg

Monsieur Bleu is de naam van één van de meest elegante restaurants van Parijs, qua inrichting dan. Het is ondergebracht in het Palais de Tokyo, een gigantisch Art Deco gebouw uit 1937, gelegen aan de rechteroever van de Seine, ter hoogte van de Eiffeltoren. De straat die het gebouw van de Seine scheidt, heet Avenue de New York, maar droeg ooit de naam Avenue de Tokyo (1918 -1945), vandaar de naam die aan dit indrukwekkende bouwwerk gegeven werd. In de oostelijke vleugel van het gebouw bevindt zich het Museum d’Art Moderne de la Ville de Paris, in de westelijke vleugel is een expositieruimte voor Hedendaagse Kunst ondergebracht (Palais de Tokyo / Site de création contemporaine). Maar het gebouw is dermate groot dat er ook nog eens plaats is voor een volumineus restaurant, Monsieur Bleu. De ruimtes zijn duizelingwekkend, met plafonds van meer dan negen meter hoog en verticale lijnen die de hoogte nog meer accentueren.

Het restaurant opende haar deuren in 2013. Architect Joseph Dirand maakte er een juweeltje van. Alles straalt een sobere elegantie uit. De zachte grijsgroene kleuren van de stoelen en banken zijn een en al rust tegen de glanzende wit/zwarte marmeren vloer. Alles lijkt origineel uit de jaren dertig, maar dat is gezichtsbedrog, want het resultaat is het exclusieve werk van de hedendaagse architect Dirand. Eclectisch, noemt men dat geloof ik. Een welverdiende tien op tien voor deze man met uitzonderlijke gaven om kleuren, materialen en lijnen harmonisch met elkaar te verbinden.

De avond dat ik in dit restaurant ben gaan eten, zat de zaal helemaal vol, een mix van trendy Parijzenaars, toeristen, zakenmensen en jonge koppeltjes. Je voelt een soort van nervositeit, hier komt men om te kijken of bekeken te worden. Maar in een restaurant wil je natuurlijk behalve bewonderend kijken naar levend en dood materiaal, ook lekker eten en een gezellige tijd doorbrengen. De bediening is uiterst professioneel en de gerechten zijn van het type fusionkeuken, een uiteenlopende mengeling van smaken en ingrediënten van over de hele wereld.

En toch, en toch… enkele minpunten: zo goed als geen verlichting op tafel (voortdurend zie je iemand die zijn telefoon bovenhaalt om met de zaklampfunktie de menukaart te kunnen lezen, een gerecht bij te schijnen of om zelfs teken te doen naar de obers om hun aandacht te trekken). De gerechten worden bijna onmiddellijk gebracht zodat de hele maaltijd in minder dan een uur al afgewerkt is. Een kniesoor die zich daaraan stoort, maar dat ben ik dan zeker.

De naam Monsieur Bleu slaat verder nergens op. Dat vind ik jammer. Ja, ergens wordt er gezegd dat het zou verwijzen naar een zekere artiest Klein, de grondlegger van de monochrome kunst (een schilderij in ultramarijn blauw, ja blauw), waar Joseph Dirand affiniteit mee heeft. Op de menukaart wordt een korte omschrijving van de heer Bleu gegeven, maar die is lang, saai en inspiratieloos, dus geef ik hem hier verder niet weer (nu wordt u natuurlijk nieuwsgierig…). Monsieur Bleu is ook de naam van een reeks kinderliedjes uit dezelfde periode als het gebouw. De kinderen voor wie de liedjes geschreven waren, noemden de schrijver Monsieur Bleu, omdat hij altijd in een heel net blauw pak gekleed ging. De liedjes zijn lief en licht absurd. Eén verhaaltje gaat over het hondje Fido, dat niet meer goed ziet en daarom naar de oogarts moet. Voortaan moet hij een bril dragen als hij op jacht gaat. De kleine patrijsjes lachen hem uit, de merels plagen hem en de konijnen rollen over de grond van het lachen. Lachen… ja, dat heb ik bij Monsieur Bleu niet veel gedaan. Het is er een serieuze bedoening, met serieuze volwassenen en er wordt betaald met echt geld.

Toch is het restaurant is een aanrader. En dan vooral omwille van de inrichting. En – wat ik nog niet vermeld heb – in de zomer een groot terras met zicht op de Eiffeltoren. Wie meer wilt zien van het werk van architect Joseph Dirand, kan ook eens een kijkje nemen in het restaurant Le Flandrin of langsgaan bij de winkels van Balmain en Givenchy in Parijs.

Info
Monsieur Bleu
20, Avenue de New York
75116 Paris
Tel: +331 47 20 90 47
Prijs: ca. 70 euro pp.
Mooie foto’s: zie MRK Coolhunting

 

 

Advertenties

Op bezoek bij Henri Fantin-Latour

26/10/2016

IMG_1817.JPGWanneer ik een artikel schrijf over een tentoonstelling in Parijs, bezoek ik eerst die tentoonstelling, lees daarna wat informatie over de artiest in boeken of op internet, en dan, als een polaroid waarop de foto langzaam zichtbaar wordt, krijg ik het basisidee voor de tekst. Maar Henri Fantin-Latour laat zich niet zo gemakkelijk vangen. Al enkele dagen vraag ik me af wat ik over deze schilder moet schrijven. Ik heb zijn tentoonstelling in het Musée du Luxembourg gezien. Heb de audiofoon beluisterd. Heb het gebakje gegeten dat in de bar van het museum wordt geserveerd ter ere van zijn vrouw Victoria (overheerlijk!). Maar Fantin – de naam waarmee hij zijn schilderijen ondertekende – zwijgt. Zwijgen, dat is ook waar hij bekend om stond. Op school noemde een leraar hem “de trekvogel”, omdat hij bijna nooit daar was. Als je bij hem aanbelde, was er veel kans dat hij niet opendeed. Het liefst was hij thuis, met zijn pantoffels aan, aan het werk. “Un pantouflard”, zeiden zijn vrienden. Die afwezigheid intrigeerde me. Dus las ik op internet zijn biografie en las nog meer over hem. Maar Fantin bleef zwijgen. Ten einde raad besloot ik zo dicht mogelijk bij hem te komen als maar kon: ik bezocht zijn graf op het kerkhof van Montmartre.

Zijn graftombe was netjes schoongemaakt. Maar niet omdat iemand met liefde de graftombe schoonhield. Men was met spic en span te werk gegaan, omdat het zo moest. Het graf was schoon, niet door de tijd aangetast, geen zwarte vlekken die het voorbijgaan van de tijd markeerden. Nee, een net graf, maar zonder enig aandenken. Geen krans, geen bloemen. Alleen een schoongeschrobd graf. Heel burgerlijk. Netjes, zonder emotie. Ik ben aan de rand van het graf gaan zitten, in een laatste poging om Fantin te leren kennen. Maar opieuw gaf hij niet thuis. Wie wel opendeed, was zijn vrouw, Victoria Dubourg. Een schilderes, met een voorkeur voor bloemenstillevens, net zoals Fantin zelf. Ze tilde de grafsteen op en nodigde me uit om binnen te komen. Nieuwsgierig daalde ik de treden af naar de donkere kamer. Een kamer zonder ramen, maar heel gezellig. Overal schilderijen tegen de muur, in het midden een grote houten tafel met een simpel katoenen tafellaken. Een schildersezel in de hoek met zowaar Fantin, met penseel in de hand. Hij droeg zijn flanellen donkergrijze broek en een grijze vilten jas, strak dichtgeknoopt, precies zoals hij zijn hele leven lang al gedaan had. Het duurde een fractie van een seconde, maar toen kwam hij naar me toe en met een vriendelijk gebaar nodigde hij mij uit plaats te nemen aan tafel. Hij ging zelf ook zitten en even later verscheen Victoria met drie koppen dampende thee. Het werd een heel gezellige namiddag. We hebben volop gepraat en het was duidelijk dat Victoria en Henri veel genegenheid voor elkaar voelden. Hier is hun unieke verhaal.

Victoria nam als eerste het woord.

Precies honderdveertig jaar geleden zijn we getrouwd, op 15 november 1876. We kenden elkaar toen wel al bijna tien jaar. Maar we hadden geen haast. Geen van beiden. We hebben elkaar voor het eerst ontmoet in het Louvre, dat was in 1868. We waren er allebei aan het werk. Net zoals veel andere jonge schilders kopieerden we bij wijze van oefening of om wat bij te verdienen de schilderijen van de grote meesters. Henri was heel toepasselijk bezig met het kopieren van De bruiloft van Kanaan van Veronese en ik legde net de laatste hand aan een stilleven van Chardin. Op een gegeven moment kwam Berthe Morisot mij halen. Berthe was schilderes en zou later met de broer van de bekende impressionist Edouard Manet trouwen. Ook zij was vaak in het Louvre om te schilderen. Ze had al meer dan eens geprobeerd de aandacht van Henri te trekken, maar die was hier – ondanks het feit dat Berthe er altijd heel aantrekkelijk uitzag – nooit op ingegaan. Die bewuste dag zal ik nooit meer vergeten. Berthe kwam me dus halen en nam me mee naar de zaal waar Henri aan het schilderen was. Ze stelde ons aan elkaar voor, maar Henri had amper oog voor mij. Hij zat aan zijn schildersezel, zwijgzaam, zich concentrerend op zijn werk. Hij had een bijzondere manier van schilderen. Hij bracht eerst de kleur aan op het doek en vervolgens werkte hij met een schrapertje of de achterkant van zijn penseel om de verf de juiste textuur te geven. Ik had dat tot dan toe nog niemand zien doen. Hij concentreerde zich dus niet zozeer op de tekening, als wel op de kleuren en het reliëf. Terwijl ik hem zo bezig zag, zei ik hem: “Je kopie is prachtig. De kleuren nog beter dan het origineel.” Hij bedankte me voor het compliment en gaf toe dat hij plezier had in het kopiëren van schilderijen, maar stelde tegelijkertijd bitter vast dat echte kunstenaars hun gevoelens op doek neerzetten, niet enkel een palet kleuren.
“Wil je dat nog eens herhalen?” vroeg ik verbaasd. “Het lijkt wel of Chardin hier in levende lijve voor me staat. Die zei precies hetzelfde. Chardin is mijn lievelingsschilder. Kijk. Dit is wat ik vandaag van hem gemaakt heb,” zei ik en ik toonde hem mijn stilleven. Een schotel rijkelijk gevuld met rode aardbeitjes, een glas water en twee witte rozen.”
“Mooi,” reageerde hij, zonder er verder naar te kijken.
“Zo is hij nu altijd,” mengde Berthe zich in het gesprek. “Altijd beleefd, maar daar blijft het bij. Hij houdt niet zo van vrouwen, denk ik, en al zeker niet als ze schilderen.” Lachend liet ze ons alleen achter.
Ik was op dat moment achtentwintig en ook ik voelde me niet bepaald aangetrokken door het andere geslacht. Dat Henri niet achter de vrouwen aanzat, was mij wel zo aangenaam. Een man, waar ik gewoon mee kon praten, zonder het risico te lopen dat hij andere dingen zou willen. Ik ontspande me en om het gesprek weer op gang te brengen, vroeg ik met welke projecten hij bezig was. Hij antwoordde niet en het was me niet duidelijk of hij me niet gehoord had of gewoon geen zin meer had in een gesprek. Ik besloot weg te gaan en net op dat moment hield hij me tegen.
“Hoorde ik je zojuist met een Duits accent praten?”
“Ja, is het zo duidelijk?” zei ik verrast. “Ik heb jaren in Duitsland gewoond. Een goed jaar geleden ben ik met mijn hele familie teruggekomen. Mijn vader was leraar Frans in Frankfurt en ik ben daar opgegroeid. We zijn terug naar Parijs gegaan, omdat… nou ja, om al die politieke problemen. Als Fransman op Duits grondgebied is het niet meer veilig.”
“Frankfurt? Daar komt mijn beste vriend vandaan. Scholderer. Ook schilder. Een heel goede. Zit nu in London.”
We praatten nog verder. Over Frankrijk, over het Duitse politieke landschap, over de eindeloze ruzies tussen al deze gebieden, die nergens toe dienden. Over Duitse filosofen, over Goethe en vooral over Wagner, die ons beider lievelingscomponist bleek te zijn. Waar we ook over praatten, iedere keer merkten we dat onze interesses elkaar kruisten. Zelfs op het vlak van onze familie vonden we raakvlakken. We waren alletwee opgegroeid in een heel burgerlijk gezin en onze moeders bleken dezelfde voornaam te hebben, Hélène. Kun je je het voorstellen?
“Laat me je schilderij nog eens zien,” vroeg Henri.
Ik haalde het opnieuw tevoorschijn en hield het op, tegen het avondlicht. Henri bekeek het aandachtig.
“Weet je dat dat dat schilderij het eerste geweest is dat ik hier in het Louvre heb nageschilderd? Chardin, daar ben ik mee begonnen. Uitgerekend met dit stilleven. Je kopie is goed, heel mooi.”
Ik zou nog veel meer kunnen vertellen. Zo bijzonder was die dag. We hadden elkaar zoveel te vertellen. We struikelden over onze woorden.
De roddel ging al snel de ronde over Henri en mij. Victoria grinnikte bij de herinnering eraan. Berthe voelde zich gepasseerd, zoals gezegd was zij een bijzonder aantrekkelijke vrouw, modieus, elegant, en ik kleedde me nog steeds volgens de Duitse traditie in een wijde bruine vormeloze jurk. Schilderen was mijn passie en al de rest interesseerde me niet. Berthe liet weten aan wie het horen wilde dat de lange uren in het Louvre in het gezelschap van Mlle Dubourg – mijn achternaam – Henri geen geluk brachten. “Henri is lelijker en vervelender dan ooit. Als ik hem hoor praten, geef ik Degas geen ongelijk, die hem even zuur als een oude vrijster noemt, ” was haar commentaar.”

Vanaf die dag zagen we elkaar bijna dagelijks. Vaak in het Louvre. We zetten onze schildersezels dan langs elkaar en samen schilderden we eindelozen uren lang onze grote voorbeelden na. Of we gingen naar het atelier van Henri, op 8 rue des Beaux-Arts op linkeroever. Henri leerde mij in eerste instantie vooral mijn techniek van bloemenstillevens verbeteren. Dat was zijn specialiteit en daar verdiende hij vooral zijn brood mee. Stillevens, nature morte in het Frans. Zijn schilderijen waren heel puur. Simpel, op het eerste gezicht. Een boeket bloemen tegen een effen achtergrond. Soms op een tafel met nog enkele andere elementen, maar altijd sober. Zo wilde hij het, legde hij me uit. De bloemen waren het onderwerp, enkel de bloemen. Niets meer, niets minder. Hij wilde geen hoger liggende idealen overdragen. Je moet je nooit afvragen bij Henri wat hij bedoelde met zijn schilderijen. Het doek was wat het was. Kunst diende niet om een boodschap te brengen, kunst had alleen zichzelf als doel. Het enige dat er toe deed voor Henri was creatie van harmonie en bloemen leenden zich hier bij uitstek voor. De kleuren, vorm en textuur van bloemen zijn eindeloos gevarieerd en gaven hem de mogelijkheid iedere keer opnieuw te kunnen variëren op dit basisthema. Nu moet je niet denken dat het om botanische afbeeldingen ging, want dat was het zeker niet. De bloemen van Henri zijn pure elegantie, gracieus als een ballerina, poëtisch, melodieus, intiem. Schoonheid in zijn meest simpele essentie.

Hier nam Henri het gesprek over. Hij had een heel bijzondere manier van vertellen. Hij maakte geen zinnen, maar liet allerlei gedachtensprongen op elkaar volgen en stopte dan midden in een zin om te kijken of ik wel mee was met wat hij vertelde.

“Daarom ben ik met Victoria getrouwd,” begint hij terwijl hij haar dankbaar aankijkt. “Ze is precies de vrouw die ik zocht. Een vrouw moet haar man raad geven, achter hem staan, hem aanmoedigen, zijn leven organiseren. Dat is wat ik nodig had en zij heeft mij dat alles gegeven. Zij heeft mijn leven op het rechte pad gehouden. Ik werk, ik werk veel, dan werk ik teveel, het put me uit, ik word er moe van, ik concentreer me om het beste te geven. De kunst eist me helemaal op. De wereld rondom mij heb ik geleidelijk aan vaarwel gezegd. Ik wil niemand meer zien. Het leidt me af, het windt me op, het mat me af. Als kind al wist ik mijn gevoelens niet te uiten. Ik wist niet wat ik voelde, laat staan dat ik die gevoelens zou delen met iemand. Er was niets te delen. Ik keek naar de anderen, mijn vrienden, en voelde steeds die immense leegte. Als jongeman ben ik even uitgebroken uit deze beklemmende leegte. Ik maakte vrienden op de academie, in het Louvre waar ik ging werken, in de cafés waar alle jonge artiesten samen kwamen en praatten over kunst en hun toekomst. Wij vormden een groep van jongeren die elkaar trouw zworen, we gingen nieuwe kunst maken, weg van de oude gevestigde waarden. Wij, dat waren ik, Manet, Legros, Whistler, Degas, Millet, maar ook dichters als Baudelaire, Verlaine, Rimbaud,… wij waren samen, één voor allen, allen voor één. We zouden elkaar steunen, tot in de dood. Ik hield van die tijd. Wij tegen de wereld. Maar het duurde niet. De gevestigde orde begint te daveren op haar grondvesten. Wij wrikken, duwen en trekken. Zij geven een beetje toe, nog meer toe en dan ineens beginnen ze een beetje van onze kunst te houden. Dan meer en nog meer. Wij winnen. Dat is het begin van het einde. Want de nieuwe stroming wordt de norm. Het spel begint opnieuw. Iedereen, elke artiest, zou zijn eigen pad moeten volgen en zich eraan houden. Dat gebeurt niet. Een nieuwe groep ontstaat, de meute volgt, de pers volgt en alles is weer zoals vooraf aan. Ik herken mijn oude vrienden niet meer. Zij slaan de weg in die nu geplaveid is. Zoeken naar waardering in die nieuwe richting. Onze vriendschap verwatert. Ik blijf geloven in mijn stijl, niet in de nieuwe stijl. Ik ga voor mijn eigen oordeel, niet dat van een ander. Maar dat is niet wat de groep wil. Ik haak af. Mijn weg is het pad der eenzaamheid. En dan is er de oorlog. 1870. De oorlog tegen de Duitsers. Ik vind de Duitsers veel vooruitstrevender dan de Fransen. De Duitsers zijn moderner, terwijl de Fransen nog altijd in de tijd van de revolutie leven. Ik verafschuw geweld en duik onder. Mijn oude vrienden niet. Die trekken ten oorlog of ze wijken uit, naar Engeland. Ik blijf, hou me gedeisd. Als de oorlog over is, barst de Commune los in Parijs, een ware burgeroorlog. Mijn vrienden staan op de barricades. Ze steken alles in brand, vernielen kunstwerken. Hoe kan je dan van kunst houden? Dan keert de rust weer. Alles is anders nu. De jonge rebelse kunstenaars hebben het volledig gewonnen van de oude garde. Ze organiseren hun eigen tentoonstelling en hebben zowaar meer succes dan de tentoonstelling die de Staat houdt. Men noemt de nieuwe stroming Impressionisten. Ik hou niet van hun stijl en nog minder van hun houding. Geleidelijk aan verlies ik alle voeling met mijn vrienden. Ook thuis is er een leegte ontstaan. Mijn jongste zus Nathalie is opgenomen in Charenton, een psychiatrische instelling. Mijn andere zus is getrouwd met een Poolse kolonel en verhuisd naar Warschau. Mijn moeder overleden en mijn vader… hij wordt kinds. Het is in deze omstandigheden dat ik Victoria heb ontmoet. Ik was er rijp voor, was toen ook al drieëndertig. Toch heeft het nog acht jaar geduurd voor ik besloot met Victoria te trouwen. Ik heb mijn vader willen verzorgen tot op het einde. Een taak die ik graag op me heb genomen. Hij stierf in 1875. Het jaar erop zijn we getrouwd. Victoria was de beste vrouw die ik had kunnen vinden. Ik vond rust bij haar. Zij het een bijna dodelijke rust.

Victoria kijkt naar Henri en begrijpt hem. Ze zegt niets. Ze weet wat hij bedoelt. Alleen door als een dode te leven kon hij overleven. Ze heeft hem daarin geholpen. Dat was haar taak en dat was voor haar voldoende.
Dan kijkt ze naar buiten en zegt: “Hé, de zon schijnt. Weet je wat? Waarom gaan jullie niet even buiten zitten. Ze haalt een karafje wijn te voorschijn, glazen en zet het buiten op een dienblad. Henri neemt een rieten stoel en gaat lui achteruit liggen terwijl hij van zijn wijn nipt. Victoria gaat terug naar binnen en enkele secondes later horen we de eerste tonen van een sonate van Berlioz. Het is Victoria die aan de piano heeft plaatsgenomen. Ik zit aan de rand van het graf en laat me meeslepen door de muziek. Henri heeft een cigaar opgestoken en blaast zorgeloos kringetjes die langzaam opgaan in de koele lucht. Ik volg de kronkelige vormen naar boven en kijk hoe de laatste zonnestralen van deze novemberdag hun best doen om ons nog te verwarmen. Even dommel ik weg en een seconde later voel ik dat de zon weg is. Ook de muziek is gestopt, besef ik. En als ik langs me kijk naar Henri, is alles leeg. Alleen een grafsteen. Onberispelijk schoon. Geen bloemen noch kransen. Hij en Victoria hadden elkaar en voor hen was dat genoeg. Meer wilden of konden ze niet aan.

ps 1 De tentoonstelling over Henri Fantin-Latour A fleur de peau loopt nog tot 12 februari 2017 in het Musée du Luxembourg.

ps 2 De tekst hierboven belicht enkel de bloemenstillevens van Henri Fantin-Latour. Zijn werken omvatten echter veel meer dan bloemen. Fantin heeft een groot aantal prachtige portretten geschilderd en een aantal schilderijen die tot de groep ‘dromen en fantasieën” behoren.

IMG_1803.JPG

Zelfportret Henri Fantin-Latour, 1861

483px-Edgar_Degas_-_Victoria_Dubourg_-_Google_Art_Project.jpg

Portret van Victoria Dubourg, Degas, 1869

IMG_1824.JPG

Graf Henri Fantin-Latour en Famille Dubourg, Begraafplaats Montparnasse, 10e divisie

IMG_1807.JPG

Detail van bloemenschilderij van Henri Fantin-Latour

IMG_1804.JPG

Portret van dichters Verlaine en Rimbaud, Detail uit un coin de table, Henri Fantin-Latour, 1872

[Recueil_Fantin-Latour_et_sa_famille_[-3...]_btv1b84323617.JPEG

Henri Fantin-Latour en Victoria Dubourg in hun atelier te Parijs (ca. 1902)

Naamloos.png

Victoria Dubourg aan de piano (1902)

IMG_1814.JPG

Gebakje Victoria bij Tearoom Angelina langs het Musée du Luxembourg

Bronnen
Fantin-Latour, sa vie et ses amitiés; lettres inédites et souvenirs personnels, Adolphe Jullien, Paris, 1909 (Jullien was een goede vriend van Henri Fantin-Latour en schreef een biografie over het leven van de schrijver. Dit boek geldt als best bewaarde bron)
http://www.elseviermaandschrift.nl/EGM/1928/01/19280101/EGM-19280101-0191/story.pdf (Mooie tekst over personaliteit van Henri Fantin-Latour)
Fantin-Latour, Gustave Kahn, 1927
Fantin-Latour, Jean-Jacques Lévèque, ACR PocheCouleur, Paris, 1996
Henri Fantin-Latour 1836 – 1904, Henk Verveer, henkverveer.nl (Zeer uitgebreide documentatie over de portretten van Henri Fantin-Latour)
Correspondance Fantin-Latour & Scholderer, Quellen-perspectivia.net
The correspondance of James Mc Neill Whistler, online
The pictorial world of Henri Fantin-Latour, utcp.c.u-Tokyo.ac.jp
Fantin-Latour et sa famille, dans son atelier (foto’s), gallica.bnf.fr
Fantin-Latour à Buré (foto’s), gallica.bnf.fr
Fellow Men: Fantin-Latour and the problem of the Group in Nineteenth-Century French Painting, Bridget Alsdorf, 2012
https://archive.org/stream/expositiondeluvr00fant/expositiondeluvr00fant_djvu.txt
 

KGB: harmonieuze fusion keuken

16/09/2016
img_1842

Gastvrij onthaal bij de KGB

Moskou, 1972. Twee spelden wandelen al keuvelend over straat.
“Sst… sst…,” zegt plots de ene speld tegen de andere, “opgelet, achter ons loopt een veiligheidsspeld.”

Het is een oud grapje, uit de tijd van de koude oorlog. Dagelijks lazen we in de krant over de verschrikkelijke communistische dictatuur in de USSR. De burgers, zo werd ons verteld, konden er hun mond niet opendoen of een agent van de KGB stond klaar om hen af te luisteren en hen, indien nodig, het leven zuur te maken. Die KGB toch… Vergeet dit alles en onthou alleen de naam. Want in Parijs is er onder dit acronym een restaurant dat je niet naar de hel, maar naar de hemel brengt. Waar men naar je luistert en meteen al je wensen in vervulling laat gaan. Alles, van het begin tot het einde, is er perfect, alles in een juiste balans: het gastvrije onthaal, de intieme zaal, de enthousiaste bediening aan tafel, de overheerlijke gerechten, de goede selectie wijnen, de eerlijke prijs. Kan het beter? Sst…sst… niet verder vertellen!

Voor een goede recensie met foto’s (25 jan. 2014): >>>
Voor nog een goede recensie: >>>

Adres:
KGB – Kitchen Galerie Bis
25, rue des Grands Augustins (quartier latin)
75006 Paris
www.kitchengaleriebis.fr

 

 

 

 


Panoramische bars in Parijs

27/05/2016

Ziehier mijn geheim.
Het is heel simpel: men kan slechts zien met het hart.
Het essentiële is onzichtbaar voor het oog.

Ware schoonheid zit van binnen, is de boodschap van het boek De Kleine Prins van Antoine de Saint-Exupéry. Het boek begint met een piloot die met zijn vliegtuig neerstort in de Sahara en daar kennis maakt met een bijzonder buitenaards jongetje, een kleine prins, die hem een nieuwe kijk op de wereld geeft. In plaats van altijd maar druk bezig te zijn met wie-weet-wat, leert hij af en toe zoals een kind stil te staan bij de echte waarden van het leven: liefde en vriendschap. Het is een mooi thema, maar niet hetgeen ons vandaag bezighoudt. Want het gaat in deze blog tenslotte over Parijs en dus over alles wat het oog streelt…

Wel blijven we even bij het vliegeniersthema. Op 19 januari 1919 landde een piloot op het dakterras van Galeries Lafayette, nadat de directie van dit vermaarde warenhuis een prijs had uitgeloofd van 25.000 frank voor wie deze stunt wilde uitvoeren. Hier geen prinsje die de piloot opwachtte, wel veel publieke aandacht, glorie en geld.

Ook jij kan op een mooie zonnige dag neerstrijken op het dakterras van Galeries Lafayette. Het is open voor het publiek, ligt op de zevende verdieping, er is geen bar (voor zover ik weet), maar mocht je toch ergens trek in hebben dan kan je op verschillende plaatsen in de winkel iets lekkers kopen en dat opeten op het panoramisch terras. Heel ontspannend. Geen luxe, wel een mooi uitzicht. De opera op armlengte afstand en in de verte de contouren van de Eiffeltoren. Enkele plastic stoelen hier en daar verspreid en als die al vol zitten, neem je gewoon plaats op de groene kunstgrasmat. Een leuke manier om even bij te komen. Ongedwongen.

Galeries Lafayette, terras op 7e verdieping
40, Boulevard Haussmann, 75009 Parijs
Open: van maandag tot zaterdag van 9h30 tot 19u30

IMG_1654

Voor wie meer verwacht van een panoramisch terras heeft Parijs natuurlijk nog andere mogelijkheden. In dit artikel concentreren we ons op terrassen die aan volgende criteria beantwoorden: buitenterras mét uitzicht, open voor publiek, open overdag, zonder reservering, met mogelijkheid om er iets te drinken. Er zijn nog andere terrassen, maar die zijn bijvoorbeeld alleen ’s avonds open of het is enkel restaurant zonder bar,… Die terrassen worden hier niet vermeld.

Zyriab de Noura
9e verdieping van Institut Maison Arabe in de buurt van Quartier Latin
Noura is een keten van bijzonder lekkere Libanese restaurants in Parijs. Zyriab maakt hier deel van uit. Je kan hier lunchen en dineren en buiten die piekuren is het terras open als tearoom.
De tearoom is open van dinsdag tot zaterdag 15u00 tot 18u00.
Institut du Monde Arabe, 1 rue des Fossés Saint Bernard 75005 Paris

Deli-Cieux
Eenvoudig terras met self-service op de 9e verdieping van het grootwarenhuis Printemps.
Open van maandag tot zaterdag van 9u35 tot 20u00 (22.00 op donderdag)
Printemps Haussmann, 64 Boulevard Haussmann, 75009 Paris

Hotel Raphael
Exclusieve bar & restaurant op de 7e verdieping van dit 5-sterren hotel, in de buurt van het Musée d’Art Moderne.
Bar toegankelijk overdag zonder reservatie, restaurant enkel op reservatie
17 Avenue Kléber, 75116 Paris

L’Oiseau Blanc
Exclusieve bar & restaurant op de 6e verdieping van het 5-sterren hotel The Peninsula, gelegen langs Hotel Raphael.
Bar toegankelijk zonder reservatie. Dresscode: Chic Décontracté.
Dagelijks open van 12u00 tot 1u30
19 Avenue Kléber, 75116 Paris 

The 7th van Terrass Hotel
Aangenaam terras (binnen en buiten) met bar en restaurant op de 7de verdieping van het 4-sterren hotel Terrass Hotel in Parijs, buurt Montmartre.
Bar dagelijks open vanaf 12u00 tot middernacht.
12-14 Rue Joseph de Maistre, 75018 Paris

Tot slot, niet helemaal aan de criteria beantwoordend…

Georges
Op de 6e verdieping van het museum van moderne kunst Centre Pompidou is een bar met restaurant. In principe enkel toegankelijk voor wie een ticket van het museum heeft of wie een reservatie heeft voor het restaurant Georges.
Open van woensdag tot maandag van 12u00 tot 2u00.
Centre Pompidou, Place George Pompidou, 75004 Paris

 

 

 

 


Café de la Paix: een must!

19/05/2016
cheeseburger

Dit is een cheeseburger van Café de la Paix mét brood. Hoe zou die eruit zien zonder brood…

Café de la Paix is één van die cafés in Parijs waar je als toerist eigenlijk niet omheen kan. Het is een instituut, une grande dame. Gebouwd in de tijd van de Belle Époque (1862) is het een café dat symbool staat voor de grandeur van Parijs. Aan de tafels van dit etablissement zaten grote namen zoals Ernest Hemmingway, Emile Zola, Guy de Maupassant,Tsjaikovski, noem maar op. Het terras aan de straatkant is heel gezellig en altijd druk én het geeft zicht op de opera van Parijs – een gebouw dat in dezelfde periode en door dezelfde architect gebouwd werd. Neem je buiten op het terras plaats, vergeet dan niet om ook even binnen een kijkje te nemen. De plafonds binnen hebben schitterende fresco’s en alles wat je ziet baadt in luxe en goud. Het café staat in alle toeristische gidsen en is bijzonder populair bij Amerikanen, die een aangeboren zwak voor glamour en Paris hebben.

Ik ben heel vaak in Parijs, maar een bezoek aan Café de la Paix had ik nog niet gebracht. “Onterecht,” dacht ik afgelopen dinsdag, toen ik er langs liep, en dus opende ik de deur die toegang gaf tot dit historische gebouw. Een jongedame ontving mij formeel en begeleidde me naar een tafeltje. Niet het beste tafeltje en dat stoorde me, maar even later bleek het toch een leuk plaatsje te zijn, want het duurde niet lang, of drie jonge Amerikaanse vrouwen namen plaats aan het tafeltje langs mij.

Ze kwamen binnen met verschillende shoppingbags en ik nam aan dat ze hier wilden uitrusten na een middagje winkelen. Ze hadden honger, zo bleek. Ze vroegen naar de menukaart en wilden een hapje eten. Ze begonnen met alvast een aperitief te bestellen, een bloody Mary, en namen dan de tijd om de menukaart te bestuderen. Even later kwam de kelner met de drankjes, hij serveerde alles netjes en dan ontspon zich volgende gesprek.
“Hebben de dames hun keuze al kunnen maken?” vraagt de kelner in het Engels.
“Ja,” begint de eerste vrouw, “ik ga een cheeseburger nemen. Maar ik mag geen brood. Lukt dat?”
Een cheeseburger zonder brood, denk ik. Wat een waanzin. Neem dan wat anders. Maar de ober is één en al oor en begrip.
“Geen enkel probleem, mevrouw. Zullen we dan het gehakt met de kaas rechtstreeks op het bord leggen? Lijkt u dat een goed idee?”
De vrouw luistert heel aandachtig en stelt nog een aantal vragen om zeker te zijn hoe de cheeseburger dan precies geserveerd gaat worden. De ober weet haar te overtuigen.
“Wilt u daar graag iets bij?” vraagt hij aan het einde van zijn toelichtingen.
“Pomfy, graag.”
“Pomfy,”echoot het in mijn oor. Het is een woord dat ik niet ken. Maar de kelner is absoluut op de hoogte van de wensen van de jonge dame en weet precies waar ze het over heeft.
“Die zitten al bij het gerecht. Nog graag iets anders? Sla, tomaat?”
“No, thanks. Als de pomfy er al bij zitten, is het perfect.”
De andere twee dames sluiten zich aan bij het gerecht van de eerste dame en de bestellingen zijn afgewerkt.
Op het punt dat de kelner zich omdraait om te vertrekken, zegt de eerste vrouw:
“Wat spreekt u goed Engels!”
“I’m Irish.”
Algemene hilariteit.

Dit is Parijs anno 2016. Amerikaanse toeristen die een post-Mc-Donalds-gerecht bestellen en een Ierse kelner die dit alles met het meeste respect noteert. Waar zijn de arrogante Parijse kelners, waar zijn de intellectuelen die zich verzetten tegen het establishment en die dit café ooit zo bekend maakten? Of waren ook dat maar salon-figuren die zich lekker in de watten lieten leggen. Ik vermoed het laatste. Al dat verzet, het is ook zo vermoeiend. Als ik betaal heb ik een biljet van tien euro én een van vijf euro in mijn hand. Ik heb enkel een thee besteld en de kelner, diezelfde Ierse man, zegt: “Zo duur zijn we nu ook weer niet.” Ik had geen wensen en werd berispt, terwijl die jonge dame met al haar buitensporige eisen op haar wenken werd bediend. Het gaf te denken. Volgende keer moet ik absoluut veeleisender worden! Wat niet wegneemt, dat Café de la Paix een absolute must is. “She’s got the look”.

cafe_de_la_paix_1_240211


Bistrot Le Christine: een lekkere Franse keuken zonder meer

19/05/2016

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

In hartje Parijs, niet ver van de Place Saint-Michel, is er een onooglijk klein straatje, niet veel groter dan een balzaal. Het is 96 meter lang en 10 meter breed. Vergelijk dit met de balzaal van het kasteel van Versailles: die zaal is 73 meter lang en 10,5 meter breed. De straat werd aangelegd in 1607 en werd vernoemd naar de kleine prinses die net een jaar daarvoor het daglicht had gezien: prinses Christine, dochter van Hendrik IV en Maria de Medici. Misschien had men geen grote toekomst voorzien voor deze tweede dochter van het koninklijk gezin, gezien de kleine maat van de straat, maar de maten hebben het kind toch op de een of andere manier aangesproken, want ze bleek al op jonge leeftijd gek te zijn op feesten en dansen. Op haar dertiende werd ze uitgehuwelijkt aan de twintig jaar oudere hertog van Savooie en gedwongen om het vrolijke Parijs te verruilen voor het provinciale stadje Turijn. Het hertogdom van Savooie had nog maar net enkele aarzelende stappen gezet om haar naam op de landkaart van Europa te krijgen en veel rijkdom en luister was in dit gebied ten Noord-Westen van Italië nog niet te vinden. De hertog wilde wel eens gaan jagen, maar dansen, dat zag hij zich niet doen. Hertogin Christine bleek echter een ondernemende dame te zijn en het duurde niet lang of ze introduceerde de Franse hofcultuur en architectuur in Turijn. Alles werd Frans wat de klok sloeg. Ze slaagde hier wonderwel in en ook vandaag nog heeft Turijn die Franse uitstraling. In Turijn is Madama Cristina een bekend historisch personnage, dat je op veel plaatsen in de stad tegenkomt, als naam van een winkel, een straat, een hotel,… Voilà.

Ik zou hier eigenlijk moeten stoppen en over mijn restaurant Le Christine moeten beginnen. Jammer, want over deze Madama Cristina is nog veel meer te vertellen. Haar naam is verbonden aan een wirwar van intriges. Kort door de bocht, komt het hier op neer. Ze zou gevallen zijn voor de charmes van de erudiete balletmeester Filippe de Agliè en haar tweede kindje, een zoontje, zou van hem zijn en niet van haar echtgenoot, de hertog. Een jaar na de geboorte van dit kindje overlijdt de hertog na het eten van een vergiftigde maaltijd – alle aanwezigen werden ziek, maar de koning stierf als enige -. Toeval of had iemand dit zo gewild? Na dit onverwacht overlijden neemt Madama Cristina het regentschap waar voor haar nog minderjarige zoon en ze stelt Filippe di Agliè aan als haar vertrouwensraadsman. Als regentes wordt Cristina van alle kanten belaagd: nu eens proberen haar schoonbroers haar plaats in te nemen, dan weer wordt ze onder druk gezet door haar broer Lodewijk XIIIe om het hertogdom bij Frankrijk te voegen. Maar Madama Cristina weet haar post te behouden. Dan volgt een nieuwe tegenslag, zij het dat gezegd wordt dat ook deze tegenslag door haar beraamd kan zijn. De troonopvolger overlijdt. Het is nu aan het tweede zoontje, dat geboren werd uit het liefdesnest, haar oogappel, om de titel van hertog te ontvangen. “Brave meisjes komen in de hemel, stoute meisjes overal,” zal misschien het motto geweest zijn van deze Madama Cristina. Maar tegen de tijd dat ze de dood voelde naderen, begon er iets te knagen. Het stoute meisje werd braaf. Ze werd fanatiek religieus en volgde meer dan twaalf missen bij per dag. Ze liet haar eten zelfs naar de kerk brengen, zodat ze haar gebeden niet hoefde te onderbreken en omdat de gebeden niet altijd volstonden, liet ze zich kastijden door de zusters van het klooster. Een leven een film waard.

Dit alles speelde zich af in Turijn, nu terug naar Parijs, naar rue Christine. Op nummer één van deze straat ligt het restaurant Le Christine, een moderne versie van de Franse bistrot. Over dit restaurant kan ik kort zijn. Het is een ideaal restaurant voor een avond dat je gewoon een lichte en lekkere Franse keuken wil eten, zonder meer. Je zal geen kreten slaan van “oh, wat mooi, heb je dit gezien, heb je gezien wie daar zit? Hier moet ik een een foto van maken, nee een selfie, wat heerlijk, wat een aardige kelner, oh la la wat heb ik goed gegeten”. Nee, niets van dat al, je gaat gewoon naar buiten met een tevreden gevoel, heel rustig, heel sereen, en als je even later je bed instapt, val je zonder dat je er erg in hebt in een diepe droomloze slaap. Af en toe mag het, lekker en niets meer.

Gedetailleerde beschrijvingen van het restaurant vond ik op internet. Hier staat alles in het lang en het breed, met foto’s erbij. Ik zou het niet beter kunnen.

Le Christine: >>>
The Ever Changing Plate: >>>
Guide Michelin: >>>
Tripadvisor: >>>

ps Wil je je avond bij Le Christine toch een extraatje geven: neem dan de dichtbundel Calligrammes van Apollinaire mee. In deze bundel verscheen een gedicht met de titel Lundi Rue Christine. Op een maandagavond was de dichter samen met een vriend in een café in rue Christine, een café dat zijn vriend onlangs ontdekt had. De waardin van het café was goed geschapen en misschien was dat wel een van de redenen van het succes van het café. Het gedicht is niet meer dan een weerslag van de flarden aan gesprekken die de dichter die avond opving. Hij schreef wat hij rondom zich hoorde neer op de hoek van een papieren tafellaken, en zie zo, het gedicht was geboren. Stylistisch noemde Apollinaire zo’n gedicht Conversatiegedicht. De originele versie geef ik hier weer, evenals een vertaling ervan naar het Engels. Een Nederlandse vertaling kon ik op internet niet vinden, maar is wel verkrijgbaar als onderdeel van het boek Dichterbij, 2009, De Bezige Bij.

Lees de rest van dit artikel »


Douanier Rousseau: Verrassend! Verfrissend! Een droom!

13/05/2016
2-Der-Traum

De droom, Henri Rousseau, 1910

Wat me op dit moment interesseert is de lopende expositie in het Musée d’Orsay, Le Douanier Rousseau. Zou deze een tripje Brussel-Parijs waard zijn? Dat was de vraag die een lezer mij enkele weken geleden stelde. Ik had de tentoonstelling nog niet bezocht en eigenlijk stond hij ook niet op mijn lijstje. Het woord Douanier stond mij op een of andere manier niet aan. Het is geen mooi woord, ik bedoel dat ik de klank niet mooi vind en bovendien heeft de betekenis van douanier, een soort belastinginner, iets heel banaals, dat niets met kunst te maken heeft. Ik begreep dan ook niet wat dat woord daar kwam doen. Maar de vraag of de tentoonstelling de moeite was, hield impliciet in dat de lezer er bepaalde verwachtingen over had. Alleen een bezoek aan de tentoonstelling kon hierop een antwoord geven. Afgelopen dinsdag had ik tijd en besloot er heen te gaan.

De volledige titel van de tentoonstelling luidt: Le Douanier Rousseau, L’Innocence archaïque. Doel van de curatoren is niet om de zoveelste tentoonstelling met werken van Henri Rousseau te maken, maar om in de verf te zetten welke rol de schilder gespeeld heeft als voorloper/inspirator van moderne kunstenaars, zoals Picasso, Ernst, Kandinsky, Delaunay,… Een gedurfde opzet en niet los van enige pretentie, zoals ik een Italiaans echtpaar tegen elkaar hoorde zeggen. Wat is de insteek? Henri Rousseau, actief van ca. 1885 tot 1910, was een buitenbeentje in de kunstwereld van toen. Hij behoorde niet tot de klassieke school en evenmin tot de impressionisten, die in die periode hun hoogtepunt kenden. Hij volgde een geheel eigen parcours, wars van conventies. Enerzijds omdat hij niet beter kon – hij was een autodidact-, anderzijds omdat hij besloten had van zijn beperkingen een sterk punt te maken. Zijn schilderijen volgen niet de klassieke voorschriften over perspectief, verhouding, compositie. Hij schildert helemaal volgens een eigen logica, een eigen filosofie die verbazend dicht aanleunt bij de manier waarop een kind een tekening zou maken. Rousseau was zelf erg tevreden over zijn stijl en vond dat deze een plaats had binnen de klassieke school. Hij exposeerde dan ook regelmatig zijn werken op de grote traditionele tentoonstellingen, maar evengoed stelde hij zijn werken tentoon op de alternatieve tentoonstellingen, deze georganiseerd door de impressionisten. Waar Rousseau zijn doeken ook hing, de reacties waren altijd heel schamper. Rousseau was een schertsfiguur. Een beetje zoals inspecteur Clouseau in de films van The Pink Panther. Zelf is hij overtuigd van zijn kunnen, maar in werkelijkheid doet hij alles verkeerd, is hij hopeloos onhandig. Dat hij toch successen behaalt, is omdat keer op keer zijn onhandigheid door een juiste timing toch tot de juiste oplossing leidt. Of gaat het om onbewuste genialiteit?

Misschien moeten we Rousseau op deze manier bekijken en was hij genialer dan aanvankelijk gedacht, is de suggestie van de organisatoren. Misschien is zijn impact groot geweest, ondanks hemzelf. Hij was een inspiratiebron, niet zozeer door wat hij maakte, maar wel omdat hij liet zien dat schilderkunst ook los van conventies kon bestaan. Hij was de juiste schilder op het juiste moment. Hij bevrijdde de schilders van de verstikkende academische regels en in plaats daarvan kon plaats gemaakt worden voor een geheel nieuwe benadering van de schilderkunst. Dat die nieuwe benadering begon met de manier waarop een kind tekent, is niet verbazend. Het hele parcours van de ontwikkeling van schilderkunst moest opnieuw gemaakt worden. De werken van Rousseau zijn de eerste kinderpasjes geweest. De schilderijen van Rousseau gaan terug naar de bron, naar de archaïsche beeldtaal. Het is vooral Picasso die dit – ook hij misschien onbewust – aangevoeld heeft. Hij organiseerde in 1908 in Montmartre een groot kolderbanket ter ere van Rousseau. Alle artistieke bohémiens, en ook de minder artistieke, van Parijs waren aanwezig. Net zoals bij een cantus onder studenten, werden er ironische discours gehouden over Rousseau en Rousseau zelf, volledig in de olie zoals overigens alle andere aanwezigen, liet begaan en genoot ervan. Dit banket is legendarisch geworden. Het is ook een keerpunt geweest in de kunstgeschiedenis. Vanaf dit moment rijst de ster van Picasso, ontwikkelen zich geheel nieuwe kunststromingen zoals het surrealisme, dadaisme en kubisme. Maar ook Rousseau krijgt vanaf dan een ereplaats in de galerij van grote schilders. De archaïsche onschuld van Rousseau wordt ineens gezien als geniaal.

De opzet van de tentoonstelling is één, de uitwerking is iets anders. De impact van de schilder op zijn tijdgenoten wordt hier en daar wel aangehaald, maar eigenlijk is de opstelling van de schilderijen redelijk klassiek. Het parcours is opgedeeld in vier thema’s: portretten, stillevens, oorlog en jungle. Rousseau maakte een groot aantal schilderijen die hij portret-landschappen noemde. Personnages worden afgebeeld tegen de achtergrond van een landschap. Hij meende dat hij de uitvinder was van dit genre, maar als we de Mona Lisa bekijken dan zien we dat het genre al eeuwen eerder was uitgevonden. Neemt niet weg dat de portretten van Rousseau de moeite zijn van te bekijken. Mooi is vaak niet het juiste woord, wel grappig of aandoenlijk. Na de portretten volgen de stillevens. Rousseau vond het maken van portretten erg inspannend en tijdrovend. Als tussendoortjes maakte hij dan wat stillevens. Vervolgens komen we in de zaal rond het thema Oorlog. Oorlog is een schilderij van Rousseau, geïnspireerd op het werk Gelijkheid voor de dood van Adolphe William Bouguereau uit 1948. Tot slot komen we in de meest interessante zaal, de zaal met de jungle-schilderijen, grote doeken waarop exotische of fabelachtige dieren verscholen zitten in uitbundig groene vegetaties (met meer dan vijftig tinten groen). We zien hier onder meer De slangenbezweerster (1907), De droom (1910) en Verrast! (1891). Van de ca. honderd schilderijen die te zien zijn, is iets meer dan de helft van Rousseau. De andere zijn van de hand van oude meesters als Ucello of Carpaccio, of van modernere schilders als Cézanne, Vallotton, Kandinsky, Jawlensky, Ensor, Carra, Delaunay, Morandi, Brauner, Ernst en Picasso. Heel veel toegevoegde waarde hebben deze schilderijen niet, om een of andere reden kwamen ze – wat mij betreft – niet genoeg uit de verf.

Als advies aan mijn lezer zou ik zeggen: bezoek deze mooie tentoonstelling met het oeuvre van Henri Rousseau en laat je als een kind verrassen door de bijzondere stijl van deze naïeve schilder. Maar ga er niet heen om meer te weten te komen over wie Rousseau nu precies wel beïnvloedde en wie niet, want dat zijn intellectuele hoogstandjes die je museumbezoek eerder bederven dan dat je er iets van bijleert. De opstelling van de doeken, de manier van exposeren, de belichting is met heel veel zorg gedaan. Bij het naar buitengaan, hoorde ik verschillende mensen de laatste zaalwachter complimenteren met de tentoonstelling.

En nu nog het antwoord op de vraag wat die Douanier in de titel van de tentoonstelling doet. Vooraleer Rousseau zich volledig wijdde aan de schilderkunst, werkte hij als lagere beambte bij de afdeling Douane en Accijnzen. Dit bezorgde het buitenbeentje in de schilderswereld al snel de schampere bijnaam Le Douanier. Niemand die toen had gedacht dat dit kleine douaniertje als eerste de deur zou openen naar een geheel nieuwe kunststroming…

Douanier Rousseau, L’Innocence archaïque
Musée d’Orsay, 1, rue de la Légion d’honneur
Info en reservaties: http://www.musee-orsay.fr.
Dagelijks geopend, behalve op maandag, van 9u30 tot 18u (donderdag tot 21u45).
Loopt tot 17 juli 2016.