Meet Maurizio Cattelan

10/12/2016

De duivel verveelde zich. Hij dwaalde door de straten en overal zag hij gelukkige gezichten. Meisjes met gezonde blozende wangen en jongens die fluitend naar school of werk fietsten. Niets dat zijn interesse kon wekken, tot zijn oog op een jongeman viel die zich onderscheidde van de anderen omwille van een enorme grijns op zijn gezicht. Een grijnslach, een oprechte grijnslach zoals je die de laatste tijd nog maar zelden ziet. De duivel besloot de man te volgen en tot zijn voldoening bleek de jongen bij een mortuarium naar binnen te gaan. Met zijn hoofd tegen het raam gedrukt zag hij hoe de jongeman met de grijnslach een kast opende en er een zwarte ceremoniejas, zwarte lakschoenen, witte handschoenen en een hoge zwarte hoed uithaalde. Hij had zich niet vergist. Hier was de man die hij hebben moest. Een lijkendrager. De duivel wreef zich in zijn handen. Het werd tijd om tot actie over te gaan. Onzichtbaar ging hij naar binnen, wachtte tot de jongeman zich had aangekleed en voor de spiegel stond om zijn hoed op te zetten, en fluisterde hem dan in zijn oor:
“Is dit nu een baantje voor jou? Voor een aalmoes je tijd hier met de doden verdoen als buiten het leven op je wacht?”
De jongeman zuchtte, de hoed nog in de hand.
“Dat leuke meisje gisteren, herinner je hoe ze naar je keek? Ze is vrij vandaag. Maar morgen?”
De hand met de hoed zakte verder naar beneden.
“Waar is je vechtlust gebleven?”
De hoed op de grond.
“Wat is er geworden van je idealen? Waar is de rebel in jou? Nu heb je je grijnslach nog, maar nog even en ook die zal je vergaan.”
Een stamp tegen de hoed.
“Dat nooit!” riep de jongeman uit.
Op dat moment schoot de duivel tevoorschijn, in zijn natuurlijke gedaante. De boosheid op het gezicht van de jongeman sloeg meteen om in de ons nu welbekende grijnslach en dit keer was de grijnslach nog breder dan anders.
“Wat kan ik voor u doen? Een sterfgeval in de familie?”
“Nee, ik kom met een voorstel om je uit je ellendige bestaan te helpen.”
“U komt als geroepen. Ik luister.”
“Kun je tekenen?” vroeg de duivel.
“Nee.”
“Kun je schilderen?”
“Nee.”
“Heb je een ooit een kunstopleiding gevolgd?”
“Nee.”
“Fantastisch! Dan geef ik je het talent om een groot artiest worden. Beter dan welke ook, want je bent niet gehinderd door enige voorkennis.”
“Het idee staat me aan. Maar kunstenaars hebben doorgaans moeite om de eindjes aan elkaar te knopen. Hoe kom ik aan geld?”
“Maak je daar geen zorgen over. Je zal rijk worden. Ik zal je overladen met geld. Dat beloof ik je, je kunstwerken zullen de hoogste prijzen behalen ooit op een veiling voor hedendaagse kunst genoteerd.”
“Ik ben geheel de uwe. Wat vraagt u in ruil?”
“Niets. Helemaal niets. Alleen dat je je grijnslach behoudt en af en toe de wereld haar bekrompenheid, verwaandheid toont. Een spiegel voorhoudt. Je zal de nar van de beau-monde worden en men zal van je houden.”
En zo geschiedde. Een nieuw artiest deed zijn intrede op de art-scène. Zijn werken zijn controversieel, shockeren, irriteren en af en toe ontlokken ze een glimlach. Zijn naam is Maurizio Cattelan.

Vandaag zijn de werken van Maurizio Cattelan (geboren 1960, Padova, Italië) te zien in het 18e eeuwse gebouw van de Monnaie in Parijs. De hedendaagse kunstwerken zijn vakkundig opgesteld en contrasteren bijzonder goed met de klassieke sfeer van dit pand. Er zijn niet veel werken opgesteld, maar hierdoor krijgt elk werk de aandacht die het verdient. Het voelt aan als een kennismaking met het vreemdste ras op aarde, de mens. Close encounters with mankind.

Expositie “Not afraid of love” van Maurizio Cattelan,
Monnaie de Paris, loopt nog tot 8 januari 2017.

Ter info: Het restaurant van 3-sterrenchef Guy Savoy ligt op de 1e verdieping van hetzelfde gebouw.

img_0258

img_0261

img_0263

img_0268

img_0269

img_0275

img_0272

img_0279

Bronnen (een greep uit de vele bronnen)
Wikipedia 
Museumkijker
Mixedgrill
De Republiek der Letteren
Advertenties

Op bezoek bij Henri Fantin-Latour

26/10/2016

IMG_1817.JPGWanneer ik een artikel schrijf over een tentoonstelling in Parijs, bezoek ik eerst die tentoonstelling, lees daarna wat informatie over de artiest in boeken of op internet, en dan, als een polaroid waarop de foto langzaam zichtbaar wordt, krijg ik het basisidee voor de tekst. Maar Henri Fantin-Latour laat zich niet zo gemakkelijk vangen. Al enkele dagen vraag ik me af wat ik over deze schilder moet schrijven. Ik heb zijn tentoonstelling in het Musée du Luxembourg gezien. Heb de audiofoon beluisterd. Heb het gebakje gegeten dat in de bar van het museum wordt geserveerd ter ere van zijn vrouw Victoria (overheerlijk!). Maar Fantin – de naam waarmee hij zijn schilderijen ondertekende – zwijgt. Zwijgen, dat is ook waar hij bekend om stond. Op school noemde een leraar hem “de trekvogel”, omdat hij bijna nooit daar was. Als je bij hem aanbelde, was er veel kans dat hij niet opendeed. Het liefst was hij thuis, met zijn pantoffels aan, aan het werk. “Un pantouflard”, zeiden zijn vrienden. Die afwezigheid intrigeerde me. Dus las ik op internet zijn biografie en las nog meer over hem. Maar Fantin bleef zwijgen. Ten einde raad besloot ik zo dicht mogelijk bij hem te komen als maar kon: ik bezocht zijn graf op het kerkhof van Montmartre.

Zijn graftombe was netjes schoongemaakt. Maar niet omdat iemand met liefde de graftombe schoonhield. Men was met spic en span te werk gegaan, omdat het zo moest. Het graf was schoon, niet door de tijd aangetast, geen zwarte vlekken die het voorbijgaan van de tijd markeerden. Nee, een net graf, maar zonder enig aandenken. Geen krans, geen bloemen. Alleen een schoongeschrobd graf. Heel burgerlijk. Netjes, zonder emotie. Ik ben aan de rand van het graf gaan zitten, in een laatste poging om Fantin te leren kennen. Maar opieuw gaf hij niet thuis. Wie wel opendeed, was zijn vrouw, Victoria Dubourg. Een schilderes, met een voorkeur voor bloemenstillevens, net zoals Fantin zelf. Ze tilde de grafsteen op en nodigde me uit om binnen te komen. Nieuwsgierig daalde ik de treden af naar de donkere kamer. Een kamer zonder ramen, maar heel gezellig. Overal schilderijen tegen de muur, in het midden een grote houten tafel met een simpel katoenen tafellaken. Een schildersezel in de hoek met zowaar Fantin, met penseel in de hand. Hij droeg zijn flanellen donkergrijze broek en een grijze vilten jas, strak dichtgeknoopt, precies zoals hij zijn hele leven lang al gedaan had. Het duurde een fractie van een seconde, maar toen kwam hij naar me toe en met een vriendelijk gebaar nodigde hij mij uit plaats te nemen aan tafel. Hij ging zelf ook zitten en even later verscheen Victoria met drie koppen dampende thee. Het werd een heel gezellige namiddag. We hebben volop gepraat en het was duidelijk dat Victoria en Henri veel genegenheid voor elkaar voelden. Hier is hun unieke verhaal.

Victoria nam als eerste het woord.

Precies honderdveertig jaar geleden zijn we getrouwd, op 15 november 1876. We kenden elkaar toen wel al bijna tien jaar. Maar we hadden geen haast. Geen van beiden. We hebben elkaar voor het eerst ontmoet in het Louvre, dat was in 1868. We waren er allebei aan het werk. Net zoals veel andere jonge schilders kopieerden we bij wijze van oefening of om wat bij te verdienen de schilderijen van de grote meesters. Henri was heel toepasselijk bezig met het kopieren van De bruiloft van Kanaan van Veronese en ik legde net de laatste hand aan een stilleven van Chardin. Op een gegeven moment kwam Berthe Morisot mij halen. Berthe was schilderes en zou later met de broer van de bekende impressionist Edouard Manet trouwen. Ook zij was vaak in het Louvre om te schilderen. Ze had al meer dan eens geprobeerd de aandacht van Henri te trekken, maar die was hier – ondanks het feit dat Berthe er altijd heel aantrekkelijk uitzag – nooit op ingegaan. Die bewuste dag zal ik nooit meer vergeten. Berthe kwam me dus halen en nam me mee naar de zaal waar Henri aan het schilderen was. Ze stelde ons aan elkaar voor, maar Henri had amper oog voor mij. Hij zat aan zijn schildersezel, zwijgzaam, zich concentrerend op zijn werk. Hij had een bijzondere manier van schilderen. Hij bracht eerst de kleur aan op het doek en vervolgens werkte hij met een schrapertje of de achterkant van zijn penseel om de verf de juiste textuur te geven. Ik had dat tot dan toe nog niemand zien doen. Hij concentreerde zich dus niet zozeer op de tekening, als wel op de kleuren en het reliëf. Terwijl ik hem zo bezig zag, zei ik hem: “Je kopie is prachtig. De kleuren nog beter dan het origineel.” Hij bedankte me voor het compliment en gaf toe dat hij plezier had in het kopiëren van schilderijen, maar stelde tegelijkertijd bitter vast dat echte kunstenaars hun gevoelens op doek neerzetten, niet enkel een palet kleuren.
“Wil je dat nog eens herhalen?” vroeg ik verbaasd. “Het lijkt wel of Chardin hier in levende lijve voor me staat. Die zei precies hetzelfde. Chardin is mijn lievelingsschilder. Kijk. Dit is wat ik vandaag van hem gemaakt heb,” zei ik en ik toonde hem mijn stilleven. Een schotel rijkelijk gevuld met rode aardbeitjes, een glas water en twee witte rozen.”
“Mooi,” reageerde hij, zonder er verder naar te kijken.
“Zo is hij nu altijd,” mengde Berthe zich in het gesprek. “Altijd beleefd, maar daar blijft het bij. Hij houdt niet zo van vrouwen, denk ik, en al zeker niet als ze schilderen.” Lachend liet ze ons alleen achter.
Ik was op dat moment achtentwintig en ook ik voelde me niet bepaald aangetrokken door het andere geslacht. Dat Henri niet achter de vrouwen aanzat, was mij wel zo aangenaam. Een man, waar ik gewoon mee kon praten, zonder het risico te lopen dat hij andere dingen zou willen. Ik ontspande me en om het gesprek weer op gang te brengen, vroeg ik met welke projecten hij bezig was. Hij antwoordde niet en het was me niet duidelijk of hij me niet gehoord had of gewoon geen zin meer had in een gesprek. Ik besloot weg te gaan en net op dat moment hield hij me tegen.
“Hoorde ik je zojuist met een Duits accent praten?”
“Ja, is het zo duidelijk?” zei ik verrast. “Ik heb jaren in Duitsland gewoond. Een goed jaar geleden ben ik met mijn hele familie teruggekomen. Mijn vader was leraar Frans in Frankfurt en ik ben daar opgegroeid. We zijn terug naar Parijs gegaan, omdat… nou ja, om al die politieke problemen. Als Fransman op Duits grondgebied is het niet meer veilig.”
“Frankfurt? Daar komt mijn beste vriend vandaan. Scholderer. Ook schilder. Een heel goede. Zit nu in London.”
We praatten nog verder. Over Frankrijk, over het Duitse politieke landschap, over de eindeloze ruzies tussen al deze gebieden, die nergens toe dienden. Over Duitse filosofen, over Goethe en vooral over Wagner, die ons beider lievelingscomponist bleek te zijn. Waar we ook over praatten, iedere keer merkten we dat onze interesses elkaar kruisten. Zelfs op het vlak van onze familie vonden we raakvlakken. We waren alletwee opgegroeid in een heel burgerlijk gezin en onze moeders bleken dezelfde voornaam te hebben, Hélène. Kun je je het voorstellen?
“Laat me je schilderij nog eens zien,” vroeg Henri.
Ik haalde het opnieuw tevoorschijn en hield het op, tegen het avondlicht. Henri bekeek het aandachtig.
“Weet je dat dat dat schilderij het eerste geweest is dat ik hier in het Louvre heb nageschilderd? Chardin, daar ben ik mee begonnen. Uitgerekend met dit stilleven. Je kopie is goed, heel mooi.”
Ik zou nog veel meer kunnen vertellen. Zo bijzonder was die dag. We hadden elkaar zoveel te vertellen. We struikelden over onze woorden.
De roddel ging al snel de ronde over Henri en mij. Victoria grinnikte bij de herinnering eraan. Berthe voelde zich gepasseerd, zoals gezegd was zij een bijzonder aantrekkelijke vrouw, modieus, elegant, en ik kleedde me nog steeds volgens de Duitse traditie in een wijde bruine vormeloze jurk. Schilderen was mijn passie en al de rest interesseerde me niet. Berthe liet weten aan wie het horen wilde dat de lange uren in het Louvre in het gezelschap van Mlle Dubourg – mijn achternaam – Henri geen geluk brachten. “Henri is lelijker en vervelender dan ooit. Als ik hem hoor praten, geef ik Degas geen ongelijk, die hem even zuur als een oude vrijster noemt, ” was haar commentaar.”

Vanaf die dag zagen we elkaar bijna dagelijks. Vaak in het Louvre. We zetten onze schildersezels dan langs elkaar en samen schilderden we eindelozen uren lang onze grote voorbeelden na. Of we gingen naar het atelier van Henri, op 8 rue des Beaux-Arts op linkeroever. Henri leerde mij in eerste instantie vooral mijn techniek van bloemenstillevens verbeteren. Dat was zijn specialiteit en daar verdiende hij vooral zijn brood mee. Stillevens, nature morte in het Frans. Zijn schilderijen waren heel puur. Simpel, op het eerste gezicht. Een boeket bloemen tegen een effen achtergrond. Soms op een tafel met nog enkele andere elementen, maar altijd sober. Zo wilde hij het, legde hij me uit. De bloemen waren het onderwerp, enkel de bloemen. Niets meer, niets minder. Hij wilde geen hoger liggende idealen overdragen. Je moet je nooit afvragen bij Henri wat hij bedoelde met zijn schilderijen. Het doek was wat het was. Kunst diende niet om een boodschap te brengen, kunst had alleen zichzelf als doel. Het enige dat er toe deed voor Henri was creatie van harmonie en bloemen leenden zich hier bij uitstek voor. De kleuren, vorm en textuur van bloemen zijn eindeloos gevarieerd en gaven hem de mogelijkheid iedere keer opnieuw te kunnen variëren op dit basisthema. Nu moet je niet denken dat het om botanische afbeeldingen ging, want dat was het zeker niet. De bloemen van Henri zijn pure elegantie, gracieus als een ballerina, poëtisch, melodieus, intiem. Schoonheid in zijn meest simpele essentie.

Hier nam Henri het gesprek over. Hij had een heel bijzondere manier van vertellen. Hij maakte geen zinnen, maar liet allerlei gedachtensprongen op elkaar volgen en stopte dan midden in een zin om te kijken of ik wel mee was met wat hij vertelde.

“Daarom ben ik met Victoria getrouwd,” begint hij terwijl hij haar dankbaar aankijkt. “Ze is precies de vrouw die ik zocht. Een vrouw moet haar man raad geven, achter hem staan, hem aanmoedigen, zijn leven organiseren. Dat is wat ik nodig had en zij heeft mij dat alles gegeven. Zij heeft mijn leven op het rechte pad gehouden. Ik werk, ik werk veel, dan werk ik teveel, het put me uit, ik word er moe van, ik concentreer me om het beste te geven. De kunst eist me helemaal op. De wereld rondom mij heb ik geleidelijk aan vaarwel gezegd. Ik wil niemand meer zien. Het leidt me af, het windt me op, het mat me af. Als kind al wist ik mijn gevoelens niet te uiten. Ik wist niet wat ik voelde, laat staan dat ik die gevoelens zou delen met iemand. Er was niets te delen. Ik keek naar de anderen, mijn vrienden, en voelde steeds die immense leegte. Als jongeman ben ik even uitgebroken uit deze beklemmende leegte. Ik maakte vrienden op de academie, in het Louvre waar ik ging werken, in de cafés waar alle jonge artiesten samen kwamen en praatten over kunst en hun toekomst. Wij vormden een groep van jongeren die elkaar trouw zworen, we gingen nieuwe kunst maken, weg van de oude gevestigde waarden. Wij, dat waren ik, Manet, Legros, Whistler, Degas, Millet, maar ook dichters als Baudelaire, Verlaine, Rimbaud,… wij waren samen, één voor allen, allen voor één. We zouden elkaar steunen, tot in de dood. Ik hield van die tijd. Wij tegen de wereld. Maar het duurde niet. De gevestigde orde begint te daveren op haar grondvesten. Wij wrikken, duwen en trekken. Zij geven een beetje toe, nog meer toe en dan ineens beginnen ze een beetje van onze kunst te houden. Dan meer en nog meer. Wij winnen. Dat is het begin van het einde. Want de nieuwe stroming wordt de norm. Het spel begint opnieuw. Iedereen, elke artiest, zou zijn eigen pad moeten volgen en zich eraan houden. Dat gebeurt niet. Een nieuwe groep ontstaat, de meute volgt, de pers volgt en alles is weer zoals vooraf aan. Ik herken mijn oude vrienden niet meer. Zij slaan de weg in die nu geplaveid is. Zoeken naar waardering in die nieuwe richting. Onze vriendschap verwatert. Ik blijf geloven in mijn stijl, niet in de nieuwe stijl. Ik ga voor mijn eigen oordeel, niet dat van een ander. Maar dat is niet wat de groep wil. Ik haak af. Mijn weg is het pad der eenzaamheid. En dan is er de oorlog. 1870. De oorlog tegen de Duitsers. Ik vind de Duitsers veel vooruitstrevender dan de Fransen. De Duitsers zijn moderner, terwijl de Fransen nog altijd in de tijd van de revolutie leven. Ik verafschuw geweld en duik onder. Mijn oude vrienden niet. Die trekken ten oorlog of ze wijken uit, naar Engeland. Ik blijf, hou me gedeisd. Als de oorlog over is, barst de Commune los in Parijs, een ware burgeroorlog. Mijn vrienden staan op de barricades. Ze steken alles in brand, vernielen kunstwerken. Hoe kan je dan van kunst houden? Dan keert de rust weer. Alles is anders nu. De jonge rebelse kunstenaars hebben het volledig gewonnen van de oude garde. Ze organiseren hun eigen tentoonstelling en hebben zowaar meer succes dan de tentoonstelling die de Staat houdt. Men noemt de nieuwe stroming Impressionisten. Ik hou niet van hun stijl en nog minder van hun houding. Geleidelijk aan verlies ik alle voeling met mijn vrienden. Ook thuis is er een leegte ontstaan. Mijn jongste zus Nathalie is opgenomen in Charenton, een psychiatrische instelling. Mijn andere zus is getrouwd met een Poolse kolonel en verhuisd naar Warschau. Mijn moeder overleden en mijn vader… hij wordt kinds. Het is in deze omstandigheden dat ik Victoria heb ontmoet. Ik was er rijp voor, was toen ook al drieëndertig. Toch heeft het nog acht jaar geduurd voor ik besloot met Victoria te trouwen. Ik heb mijn vader willen verzorgen tot op het einde. Een taak die ik graag op me heb genomen. Hij stierf in 1875. Het jaar erop zijn we getrouwd. Victoria was de beste vrouw die ik had kunnen vinden. Ik vond rust bij haar. Zij het een bijna dodelijke rust.

Victoria kijkt naar Henri en begrijpt hem. Ze zegt niets. Ze weet wat hij bedoelt. Alleen door als een dode te leven kon hij overleven. Ze heeft hem daarin geholpen. Dat was haar taak en dat was voor haar voldoende.
Dan kijkt ze naar buiten en zegt: “Hé, de zon schijnt. Weet je wat? Waarom gaan jullie niet even buiten zitten. Ze haalt een karafje wijn te voorschijn, glazen en zet het buiten op een dienblad. Henri neemt een rieten stoel en gaat lui achteruit liggen terwijl hij van zijn wijn nipt. Victoria gaat terug naar binnen en enkele secondes later horen we de eerste tonen van een sonate van Berlioz. Het is Victoria die aan de piano heeft plaatsgenomen. Ik zit aan de rand van het graf en laat me meeslepen door de muziek. Henri heeft een cigaar opgestoken en blaast zorgeloos kringetjes die langzaam opgaan in de koele lucht. Ik volg de kronkelige vormen naar boven en kijk hoe de laatste zonnestralen van deze novemberdag hun best doen om ons nog te verwarmen. Even dommel ik weg en een seconde later voel ik dat de zon weg is. Ook de muziek is gestopt, besef ik. En als ik langs me kijk naar Henri, is alles leeg. Alleen een grafsteen. Onberispelijk schoon. Geen bloemen noch kransen. Hij en Victoria hadden elkaar en voor hen was dat genoeg. Meer wilden of konden ze niet aan.

ps 1 De tentoonstelling over Henri Fantin-Latour A fleur de peau loopt nog tot 12 februari 2017 in het Musée du Luxembourg.

ps 2 De tekst hierboven belicht enkel de bloemenstillevens van Henri Fantin-Latour. Zijn werken omvatten echter veel meer dan bloemen. Fantin heeft een groot aantal prachtige portretten geschilderd en een aantal schilderijen die tot de groep ‘dromen en fantasieën” behoren.

IMG_1803.JPG

Zelfportret Henri Fantin-Latour, 1861

483px-Edgar_Degas_-_Victoria_Dubourg_-_Google_Art_Project.jpg

Portret van Victoria Dubourg, Degas, 1869

IMG_1824.JPG

Graf Henri Fantin-Latour en Famille Dubourg, Begraafplaats Montparnasse, 10e divisie

IMG_1807.JPG

Detail van bloemenschilderij van Henri Fantin-Latour

IMG_1804.JPG

Portret van dichters Verlaine en Rimbaud, Detail uit un coin de table, Henri Fantin-Latour, 1872

[Recueil_Fantin-Latour_et_sa_famille_[-3...]_btv1b84323617.JPEG

Henri Fantin-Latour en Victoria Dubourg in hun atelier te Parijs (ca. 1902)

Naamloos.png

Victoria Dubourg aan de piano (1902)

IMG_1814.JPG

Gebakje Victoria bij Tearoom Angelina langs het Musée du Luxembourg

Bronnen
Fantin-Latour, sa vie et ses amitiés; lettres inédites et souvenirs personnels, Adolphe Jullien, Paris, 1909 (Jullien was een goede vriend van Henri Fantin-Latour en schreef een biografie over het leven van de schrijver. Dit boek geldt als best bewaarde bron)
http://www.elseviermaandschrift.nl/EGM/1928/01/19280101/EGM-19280101-0191/story.pdf (Mooie tekst over personaliteit van Henri Fantin-Latour)
Fantin-Latour, Gustave Kahn, 1927
Fantin-Latour, Jean-Jacques Lévèque, ACR PocheCouleur, Paris, 1996
Henri Fantin-Latour 1836 – 1904, Henk Verveer, henkverveer.nl (Zeer uitgebreide documentatie over de portretten van Henri Fantin-Latour)
Correspondance Fantin-Latour & Scholderer, Quellen-perspectivia.net
The correspondance of James Mc Neill Whistler, online
The pictorial world of Henri Fantin-Latour, utcp.c.u-Tokyo.ac.jp
Fantin-Latour et sa famille, dans son atelier (foto’s), gallica.bnf.fr
Fantin-Latour à Buré (foto’s), gallica.bnf.fr
Fellow Men: Fantin-Latour and the problem of the Group in Nineteenth-Century French Painting, Bridget Alsdorf, 2012
https://archive.org/stream/expositiondeluvr00fant/expositiondeluvr00fant_djvu.txt
 

Douanier Rousseau: Verrassend! Verfrissend! Een droom!

13/05/2016
2-Der-Traum

De droom, Henri Rousseau, 1910

Wat me op dit moment interesseert is de lopende expositie in het Musée d’Orsay, Le Douanier Rousseau. Zou deze een tripje Brussel-Parijs waard zijn? Dat was de vraag die een lezer mij enkele weken geleden stelde. Ik had de tentoonstelling nog niet bezocht en eigenlijk stond hij ook niet op mijn lijstje. Het woord Douanier stond mij op een of andere manier niet aan. Het is geen mooi woord, ik bedoel dat ik de klank niet mooi vind en bovendien heeft de betekenis van douanier, een soort belastinginner, iets heel banaals, dat niets met kunst te maken heeft. Ik begreep dan ook niet wat dat woord daar kwam doen. Maar de vraag of de tentoonstelling de moeite was, hield impliciet in dat de lezer er bepaalde verwachtingen over had. Alleen een bezoek aan de tentoonstelling kon hierop een antwoord geven. Afgelopen dinsdag had ik tijd en besloot er heen te gaan.

De volledige titel van de tentoonstelling luidt: Le Douanier Rousseau, L’Innocence archaïque. Doel van de curatoren is niet om de zoveelste tentoonstelling met werken van Henri Rousseau te maken, maar om in de verf te zetten welke rol de schilder gespeeld heeft als voorloper/inspirator van moderne kunstenaars, zoals Picasso, Ernst, Kandinsky, Delaunay,… Een gedurfde opzet en niet los van enige pretentie, zoals ik een Italiaans echtpaar tegen elkaar hoorde zeggen. Wat is de insteek? Henri Rousseau, actief van ca. 1885 tot 1910, was een buitenbeentje in de kunstwereld van toen. Hij behoorde niet tot de klassieke school en evenmin tot de impressionisten, die in die periode hun hoogtepunt kenden. Hij volgde een geheel eigen parcours, wars van conventies. Enerzijds omdat hij niet beter kon – hij was een autodidact-, anderzijds omdat hij besloten had van zijn beperkingen een sterk punt te maken. Zijn schilderijen volgen niet de klassieke voorschriften over perspectief, verhouding, compositie. Hij schildert helemaal volgens een eigen logica, een eigen filosofie die verbazend dicht aanleunt bij de manier waarop een kind een tekening zou maken. Rousseau was zelf erg tevreden over zijn stijl en vond dat deze een plaats had binnen de klassieke school. Hij exposeerde dan ook regelmatig zijn werken op de grote traditionele tentoonstellingen, maar evengoed stelde hij zijn werken tentoon op de alternatieve tentoonstellingen, deze georganiseerd door de impressionisten. Waar Rousseau zijn doeken ook hing, de reacties waren altijd heel schamper. Rousseau was een schertsfiguur. Een beetje zoals inspecteur Clouseau in de films van The Pink Panther. Zelf is hij overtuigd van zijn kunnen, maar in werkelijkheid doet hij alles verkeerd, is hij hopeloos onhandig. Dat hij toch successen behaalt, is omdat keer op keer zijn onhandigheid door een juiste timing toch tot de juiste oplossing leidt. Of gaat het om onbewuste genialiteit?

Misschien moeten we Rousseau op deze manier bekijken en was hij genialer dan aanvankelijk gedacht, is de suggestie van de organisatoren. Misschien is zijn impact groot geweest, ondanks hemzelf. Hij was een inspiratiebron, niet zozeer door wat hij maakte, maar wel omdat hij liet zien dat schilderkunst ook los van conventies kon bestaan. Hij was de juiste schilder op het juiste moment. Hij bevrijdde de schilders van de verstikkende academische regels en in plaats daarvan kon plaats gemaakt worden voor een geheel nieuwe benadering van de schilderkunst. Dat die nieuwe benadering begon met de manier waarop een kind tekent, is niet verbazend. Het hele parcours van de ontwikkeling van schilderkunst moest opnieuw gemaakt worden. De werken van Rousseau zijn de eerste kinderpasjes geweest. De schilderijen van Rousseau gaan terug naar de bron, naar de archaïsche beeldtaal. Het is vooral Picasso die dit – ook hij misschien onbewust – aangevoeld heeft. Hij organiseerde in 1908 in Montmartre een groot kolderbanket ter ere van Rousseau. Alle artistieke bohémiens, en ook de minder artistieke, van Parijs waren aanwezig. Net zoals bij een cantus onder studenten, werden er ironische discours gehouden over Rousseau en Rousseau zelf, volledig in de olie zoals overigens alle andere aanwezigen, liet begaan en genoot ervan. Dit banket is legendarisch geworden. Het is ook een keerpunt geweest in de kunstgeschiedenis. Vanaf dit moment rijst de ster van Picasso, ontwikkelen zich geheel nieuwe kunststromingen zoals het surrealisme, dadaisme en kubisme. Maar ook Rousseau krijgt vanaf dan een ereplaats in de galerij van grote schilders. De archaïsche onschuld van Rousseau wordt ineens gezien als geniaal.

De opzet van de tentoonstelling is één, de uitwerking is iets anders. De impact van de schilder op zijn tijdgenoten wordt hier en daar wel aangehaald, maar eigenlijk is de opstelling van de schilderijen redelijk klassiek. Het parcours is opgedeeld in vier thema’s: portretten, stillevens, oorlog en jungle. Rousseau maakte een groot aantal schilderijen die hij portret-landschappen noemde. Personnages worden afgebeeld tegen de achtergrond van een landschap. Hij meende dat hij de uitvinder was van dit genre, maar als we de Mona Lisa bekijken dan zien we dat het genre al eeuwen eerder was uitgevonden. Neemt niet weg dat de portretten van Rousseau de moeite zijn van te bekijken. Mooi is vaak niet het juiste woord, wel grappig of aandoenlijk. Na de portretten volgen de stillevens. Rousseau vond het maken van portretten erg inspannend en tijdrovend. Als tussendoortjes maakte hij dan wat stillevens. Vervolgens komen we in de zaal rond het thema Oorlog. Oorlog is een schilderij van Rousseau, geïnspireerd op het werk Gelijkheid voor de dood van Adolphe William Bouguereau uit 1948. Tot slot komen we in de meest interessante zaal, de zaal met de jungle-schilderijen, grote doeken waarop exotische of fabelachtige dieren verscholen zitten in uitbundig groene vegetaties (met meer dan vijftig tinten groen). We zien hier onder meer De slangenbezweerster (1907), De droom (1910) en Verrast! (1891). Van de ca. honderd schilderijen die te zien zijn, is iets meer dan de helft van Rousseau. De andere zijn van de hand van oude meesters als Ucello of Carpaccio, of van modernere schilders als Cézanne, Vallotton, Kandinsky, Jawlensky, Ensor, Carra, Delaunay, Morandi, Brauner, Ernst en Picasso. Heel veel toegevoegde waarde hebben deze schilderijen niet, om een of andere reden kwamen ze – wat mij betreft – niet genoeg uit de verf.

Als advies aan mijn lezer zou ik zeggen: bezoek deze mooie tentoonstelling met het oeuvre van Henri Rousseau en laat je als een kind verrassen door de bijzondere stijl van deze naïeve schilder. Maar ga er niet heen om meer te weten te komen over wie Rousseau nu precies wel beïnvloedde en wie niet, want dat zijn intellectuele hoogstandjes die je museumbezoek eerder bederven dan dat je er iets van bijleert. De opstelling van de doeken, de manier van exposeren, de belichting is met heel veel zorg gedaan. Bij het naar buitengaan, hoorde ik verschillende mensen de laatste zaalwachter complimenteren met de tentoonstelling.

En nu nog het antwoord op de vraag wat die Douanier in de titel van de tentoonstelling doet. Vooraleer Rousseau zich volledig wijdde aan de schilderkunst, werkte hij als lagere beambte bij de afdeling Douane en Accijnzen. Dit bezorgde het buitenbeentje in de schilderswereld al snel de schampere bijnaam Le Douanier. Niemand die toen had gedacht dat dit kleine douaniertje als eerste de deur zou openen naar een geheel nieuwe kunststroming…

Douanier Rousseau, L’Innocence archaïque
Musée d’Orsay, 1, rue de la Légion d’honneur
Info en reservaties: http://www.musee-orsay.fr.
Dagelijks geopend, behalve op maandag, van 9u30 tot 18u (donderdag tot 21u45).
Loopt tot 17 juli 2016.


David Lynch: Een kortverhaal aan de hand van foto’s

15/02/2014

xdavid-lynch-small-stories-L-ldPcdq.jpeg.pagespeed.ic.hpK1kmQiAk[1]

David Lynch: Small Stories

Lang geleden moest ik een examen afleggen in Recht. Eén vraag ging over verbintenissenrecht. Welke elementen speelden een rol. Ik somde op dat er sprake moest zijn van een onrechtmatige daad enerzijds en schade anderzijds. “Juist, maar … er ontbreekt nog iets,” zei de professor en ze keek me afwachtend aan. Ik wist toen niet te antwoorden, maar heb het sindsdien altijd onthouden: “oorzakelijk verband”.  Bij de inleiding op de fototentoonstelling van David Lynch in het Centre Européen de la Photographie wordt eenzelfde oorzakelijk verband gelegd: de foto’s zijn slechts beelden, maar ze kunnen uitgroeien tot een boeiend verhaal. Alles hangt af van de toeschouwer, hij is degene die het verband moet leggen.

In het Centre Européen de la Photographie loopt momenteel een tentoonstelling met 40 zwart/wit foto’s van David Lynch onder de titel: Small Stories.

“Een foto,” zegt Lynch, “is een statisch beeld en toch kan het een verhaal oproepen. Meestal zal dat een klein verhaaltje zijn. Klein, maar wie weet interessant. En misschien roept het beeld een aantal gedachten en gevoelens op en in dat geval kan het kleine verhaal zelfs uitgroeien tot een groot verhaal. Maar dit alles hangt – bien sûr – af van de toeschouwer!“

David Lynch, Amerikaans regisseur van onder meer de films Eraserhead, The Elephant Man, Mulholland Drive en Twin Peaks, heeft de gave om de duistere kant van de menselijke ziel bloot te leggen. Werkelijkheid, dromen en nachtmerries lopen in elkaar over. Het onderbewustzijn komt bovenborrelen, angsten en driften ontsnappen en brengen personnages in absoluut onverwachte, verrassende zo niet schokkende situaties. De foto’s kaderen in eenzelfde surrealistische sfeer. Alleen is de meeslepende sfeer die we van de films kennen, hier afwezig. Althans, ík voelde weinig tot niets. De fotograaf kan dan wel insinueren dat het aan de toeschouwer ligt als de beelden niets oproepen, het heeft me niet geraakt.

Droomanalyse vormde de basis van het werk van Freud. De surrealisten uit de vorige eeuw, zoals André Breton, Picasso, Magritte, Max Ernst en De Chirico gebruikten droomanalyses als basis voor hun kunstwerken. David Lynch is de moderne voortzetter van deze stroming. Sinds enkele jaren maakt hij niet alleen films, maar ook litho’s, reclamefilms, schilderijen en foto’s. Het medium verandert, maar het onderwerp blijft: surrealisme, hyperrealisme, magisch realisme,… hoe men het ook noemen wil. Misschien moet je de tentoonstelling tweemaal bezoeken, om er iets uit te halen, net zoals sommige liedjes je meer bekoren als je de melodie enkele keren gehoord hebt.

Hieronder een trailer waarmee David Lynch zijn tentoonstelling aankondigt in de media:

David Lynch – Small Stories
Tot 16 maart 2014
Maison Européenne de la Photographie 5/7 rue de Fourcy 75004 Paris
http://www.mep-fr.org/

Henri Cartier-Bresson: catch the moment!

13/02/2014
tumblr_koukwgkXUS1qz9pqoo1_500

Henri Cartier-Bresson, Livorno, 1963

Gisteren ben ik de fototentoonstelling van Henri Cartier-Bresson in het Centre Pompidou gaan bezoeken, samen met mijn vriendin Ineke Louiche, die Nederlandse gids is in Parijs. Terwijl we naar een foto staan te kijken en er onze commentaar op geven, horen we langs ons:
“Eh, mesdammes, vour permettez?”
Ineke en ik kijken verbaasd op naar de man naast ons. Hij excuseert zich nogmaals en wijst dan op de foto waar we voor staan. “Ik hoorde uw commentaar op de foto en denk … ik begreep niet alles wat u zei… maar ik denk dat de essentie van de foto u ontgaan is.”
“Ah oui?” vraagt Ineke.
“U ziet het beeld van een man die de krant aan het lezen is en per ongeluk is door een windvlaag het gordijn om zijn gezicht geslagen, nietwaar?”
Hij wacht even en laat er dan op volgen: “Maar dat is niet alles”.
“Ah non?” vraagt Ineke.
“Nee, dit is een tête de noeux. Dat is een Franse uitdrukking. Een idioot, betekent dat.”
De man glimlacht. Ik weet niet waarom hij zich genoodzaakt voelde om het ons te vertellen. Hij excuseert zich nogmaals en loopt dan verder. Maar we waren toch blij dat we het nu wisten. Het typeert de foto’s van Henri Cartier-Bresson. Elke foto is een momentopname, een fractie van een seconde in de eeuwigheid. Sommige foto’s hebben een dubbele bodem, zoals deze, maar dat is dan louter te danken aan het toeval. En daarin schuilt de kracht van deze fotograaf. Hij heeft als geen ander de gave om dat ene moment uit het leven, dat er nét iets uitspringt, te zien én vast te leggen. Elke foto is uniek. Niemand – zelfs Cartier-Bresson zelf – kan ooit dezelfde foto namaken. Men kan proberen de stijl te imiteren, maar niet de foto op zich.

In het Centre Pompidou loopt momenteel een tentoonstelling met meer dan 350 foto’s van Henri Cartier-Bresson, allemaal zwart/wit foto’s want aan kleur heeft HCB niet gedaan. HCB wordt algemeen beschouwd als de vader van de zwart/wit fotografie. Hij zette de trend in wat genoemd werd Photojournalism. Hoewel het niets met journalistiek te maken heeft, maar eerder met abstracte kunst, werd deze stijl zo genoemd omdat die naam beter in de markt lag.

Eén van de kenmerken van het werk van HCB is dat hij als achtergrond geometrische lijnen neemt. Die lijnen dienen als frame voor het werk dat hij gaat maken en dan wacht hij op dat ene moment dat er een menselijke actie plaatsvindt tegen dit decor. Een fietser, rennende kinderen, een wandelende man. De tegenstelling tussen het strakke kader en het beweeglijke, menselijke element erin zorgt voor een ideaal spanningsveld. Tegen de rustige achtergrond krijgt de menselijke actie een extra levendigheid. Eenmaal hij deze techniek onder controle had, werd deze manier van werken als een tweede natuur voor hem. Hij hoefde niet langer te wachten op zijn objecten om langs te komen, vanaf toen wist hij ze op het moment zelf te vangen. Als een dier dat zijn prooi bespringt.

Alle 350 foto’s werden op eenzelfde manier ontwikkeld en ingekaderd, waardoor de uniformiteit in het werk van HCB benadrukt wordt. De foto’s zijn in chronologische volgorde opgehangen. Het is wat veel en na de eerste honderd verzwakt de aandacht wel wat, maar voor iedereen die iets wil leren over de kunst van het fotograferen is deze tentoonstelling een absolute must.

Geen tijd om naar Parijs te gaan? Onderstaande YouTube film geeft alvast een goed beeld van wat de tentoonstelling te bieden heeft.

Henri Cartier-Bresson
12 février 2014 – 9 juin 2014 van 11u00 tot 23u00 (uitgezonderd dinsdag)
Galerie 2 – Centre Pompidou, Paris
Entrée: 13€


Helmut Newton: een prachtige fototentoonstelling voor iedereen, niet enkel voor fans

19/04/2012
Helmut Newton - Grand Palais - Parijs

Helmut Newton - Grand Palais - Parijs

“Als ik moet fotograferen, dan praat ik tegen mezelf zoals je dat met een hond doet. Rustig jongen, rustig aan,” zegt Helmut Newton in een kortfilmpje over zijn werkmethode. Op deze manier concentreert hij zich en dat deze kalmerende woorden hun uitwerking niet missen, dat is zeker. Deze fotograaf van Duitste origine, die in 2004 overleed, heeft jarenlang aan de top gestaan van de modefotografie.

Helmut Newton heeft veel in Frankrijk gewerkt, onder meer voor de modebladen Vogue en Elle. Maar de foto’s die hij maakte, waren veel meer dan stijlvolle modefoto’s. Zelf legt hij zijn succes als volgt uit: “Een modefoto moet over vanalles gaan, behalve over mode. De foto moet iets uitdrukken, een sfeer oproepen, mysterieus zijn en dat het over mode gaat, is bijzaak.” Zijn foto’s liggen ergens tussen kunst- en modefotografie en erotiek in.

Kenmerkend voor de foto’s van Helmut Newton zijn de sterke, zelfverzekerde vrouwen in uitdagende houdingen. Hoge hakken waren zijn handelsmerk. Hij wist perfect begrippen als glamour en westerse weelde in beeld te vatten. Alles zit hem in de details. Newton nam per fotoshoot heel weinig foto’s en hij maakte ook weinig gebruik van technische snufjes. Alles moest in één keer gebeuren, snel en efficiënt, om de betovering van die ene seconde waarin een pose perfect is, niet te doorbreken.

Een uitgebreide tentoonstelling met meer dan 200 foto’s van Helmut Newton, waaronder een groot deel zwart/wit. Een absolute aanrader.

Wie geen tijd heeft de tentoonstelling in Parijs te zien, kan Newton aan het werk zien, in de DVD Helmut Newton – Frames From The Edge. In 1988 bezocht Adrian Maben de sterfotograaf in zijn woonplaats Monte Carlo en begeleidde hem bij fotosessies in Los Angeles, Berlijn en Parijs. Tijdens deze ontmoetingen kreeg hij een uniek beeld van zijn privéleven en werk. Sterren als Karl Lagerfeld en Catherine Deneuve vertellen uitvoerig over hoe het was om te werken met deze sterfotograaf.

Praktische informatie
Helmut Newton (tot 17 juni 2012)
Grand Palais
Open: dagelijks, behalve dinsdag, van 10u tot 22u. Dicht op 1 mei. Omwille van het grote succes is de tentoonstelling ook ’s avonds open op 24 april tot 22u en op 19 mei tot middernacht (nuits des musées)
Ingang: 11 Euro

Grand Palais: het dierenrijk gezien door het oog van schilders

19/04/2012
Beauté Animale

Beauté Animale

Wordt het Grand Palais in Parijs omgebouwd tot een dierentuin? Nee, maar tot 16 juli 2012 loopt hier wel een tentoonstelling rond het thema “Dierlijke schoonheid” met meer dan 120 schilderijen waarop dieren afgebeeld staan. Van de renaissanceschilder Dürer tot de hedendaagse Jef Koons, van het kleinste insect tot de koning van het dierenrijk, de leeuw, van puur anatomische tekeningen tot de meest fabelachtige dieren… het is er allemaal te zien.

Het is vooral de hoeveelheid schilderijen die indruk maakt. De indeling, die men geprobeerd heeft aan te brengen, is niet erg relevant en blijft niet hangen. Maar het is boeiend de verscheidenheid in de pluimages, vachten en vormen te zien die we bij de dieren aantreffen en de talenten van de schilders om deze schitteringen weer te geven.

Een mooie tentoonstelling en heel geschikt voor kinderen. In een eeuw die gedomineerd wordt door binaire computers, is het leuk om nog eens stil te staan bij de rijkdom die de natuur ons biedt.

De pad van Pablo Picasso (1949)

De pad van Pablo Picasso (1949)

Praktische info

Beauté Animale (tot 16 juli 2012)
Grand Palais
Dagelijks open, behalve dinsdags, van 10u tot 20u, woensdag tot 22u
Ingang: 12 Euro (gratis voor kinderen onder de 13 jaar)