Op bezoek bij Henri Fantin-Latour

IMG_1817.JPGWanneer ik een artikel schrijf over een tentoonstelling in Parijs, bezoek ik eerst die tentoonstelling, lees daarna wat informatie over de artiest in boeken of op internet, en dan, als een polaroid waarop de foto langzaam zichtbaar wordt, krijg ik het basisidee voor de tekst. Maar Henri Fantin-Latour laat zich niet zo gemakkelijk vangen. Al enkele dagen vraag ik me af wat ik over deze schilder moet schrijven. Ik heb zijn tentoonstelling in het Musée du Luxembourg gezien. Heb de audiofoon beluisterd. Heb het gebakje gegeten dat in de bar van het museum wordt geserveerd ter ere van zijn vrouw Victoria (overheerlijk!). Maar Fantin – de naam waarmee hij zijn schilderijen ondertekende – zwijgt. Zwijgen, dat is ook waar hij bekend om stond. Op school noemde een leraar hem “de trekvogel”, omdat hij bijna nooit daar was. Als je bij hem aanbelde, was er veel kans dat hij niet opendeed. Het liefst was hij thuis, met zijn pantoffels aan, aan het werk. “Un pantouflard”, zeiden zijn vrienden. Die afwezigheid intrigeerde me. Dus las ik op internet zijn biografie en las nog meer over hem. Maar Fantin bleef zwijgen. Ten einde raad besloot ik zo dicht mogelijk bij hem te komen als maar kon: ik bezocht zijn graf op het kerkhof van Montmartre.

Zijn graftombe was netjes schoongemaakt. Maar niet omdat iemand met liefde de graftombe schoonhield. Men was met spic en span te werk gegaan, omdat het zo moest. Het graf was schoon, niet door de tijd aangetast, geen zwarte vlekken die het voorbijgaan van de tijd markeerden. Nee, een net graf, maar zonder enig aandenken. Geen krans, geen bloemen. Alleen een schoongeschrobd graf. Heel burgerlijk. Netjes, zonder emotie. Ik ben aan de rand van het graf gaan zitten, in een laatste poging om Fantin te leren kennen. Maar opieuw gaf hij niet thuis. Wie wel opendeed, was zijn vrouw, Victoria Dubourg. Een schilderes, met een voorkeur voor bloemenstillevens, net zoals Fantin zelf. Ze tilde de grafsteen op en nodigde me uit om binnen te komen. Nieuwsgierig daalde ik de treden af naar de donkere kamer. Een kamer zonder ramen, maar heel gezellig. Overal schilderijen tegen de muur, in het midden een grote houten tafel met een simpel katoenen tafellaken. Een schildersezel in de hoek met zowaar Fantin, met penseel in de hand. Hij droeg zijn flanellen donkergrijze broek en een grijze vilten jas, strak dichtgeknoopt, precies zoals hij zijn hele leven lang al gedaan had. Het duurde een fractie van een seconde, maar toen kwam hij naar me toe en met een vriendelijk gebaar nodigde hij mij uit plaats te nemen aan tafel. Hij ging zelf ook zitten en even later verscheen Victoria met drie koppen dampende thee. Het werd een heel gezellige namiddag. We hebben volop gepraat en het was duidelijk dat Victoria en Henri veel genegenheid voor elkaar voelden. Hier is hun unieke verhaal.

Victoria nam als eerste het woord.

Precies honderdveertig jaar geleden zijn we getrouwd, op 15 november 1876. We kenden elkaar toen wel al bijna tien jaar. Maar we hadden geen haast. Geen van beiden. We hebben elkaar voor het eerst ontmoet in het Louvre, dat was in 1868. We waren er allebei aan het werk. Net zoals veel andere jonge schilders kopieerden we bij wijze van oefening of om wat bij te verdienen de schilderijen van de grote meesters. Henri was heel toepasselijk bezig met het kopieren van De bruiloft van Kanaan van Veronese en ik legde net de laatste hand aan een stilleven van Chardin. Op een gegeven moment kwam Berthe Morisot mij halen. Berthe was schilderes en zou later met de broer van de bekende impressionist Edouard Manet trouwen. Ook zij was vaak in het Louvre om te schilderen. Ze had al meer dan eens geprobeerd de aandacht van Henri te trekken, maar die was hier – ondanks het feit dat Berthe er altijd heel aantrekkelijk uitzag – nooit op ingegaan. Die bewuste dag zal ik nooit meer vergeten. Berthe kwam me dus halen en nam me mee naar de zaal waar Henri aan het schilderen was. Ze stelde ons aan elkaar voor, maar Henri had amper oog voor mij. Hij zat aan zijn schildersezel, zwijgzaam, zich concentrerend op zijn werk. Hij had een bijzondere manier van schilderen. Hij bracht eerst de kleur aan op het doek en vervolgens werkte hij met een schrapertje of de achterkant van zijn penseel om de verf de juiste textuur te geven. Ik had dat tot dan toe nog niemand zien doen. Hij concentreerde zich dus niet zozeer op de tekening, als wel op de kleuren en het reliëf. Terwijl ik hem zo bezig zag, zei ik hem: “Je kopie is prachtig. De kleuren nog beter dan het origineel.” Hij bedankte me voor het compliment en gaf toe dat hij plezier had in het kopiëren van schilderijen, maar stelde tegelijkertijd bitter vast dat echte kunstenaars hun gevoelens op doek neerzetten, niet enkel een palet kleuren.
“Wil je dat nog eens herhalen?” vroeg ik verbaasd. “Het lijkt wel of Chardin hier in levende lijve voor me staat. Die zei precies hetzelfde. Chardin is mijn lievelingsschilder. Kijk. Dit is wat ik vandaag van hem gemaakt heb,” zei ik en ik toonde hem mijn stilleven. Een schotel rijkelijk gevuld met rode aardbeitjes, een glas water en twee witte rozen.”
“Mooi,” reageerde hij, zonder er verder naar te kijken.
“Zo is hij nu altijd,” mengde Berthe zich in het gesprek. “Altijd beleefd, maar daar blijft het bij. Hij houdt niet zo van vrouwen, denk ik, en al zeker niet als ze schilderen.” Lachend liet ze ons alleen achter.
Ik was op dat moment achtentwintig en ook ik voelde me niet bepaald aangetrokken door het andere geslacht. Dat Henri niet achter de vrouwen aanzat, was mij wel zo aangenaam. Een man, waar ik gewoon mee kon praten, zonder het risico te lopen dat hij andere dingen zou willen. Ik ontspande me en om het gesprek weer op gang te brengen, vroeg ik met welke projecten hij bezig was. Hij antwoordde niet en het was me niet duidelijk of hij me niet gehoord had of gewoon geen zin meer had in een gesprek. Ik besloot weg te gaan en net op dat moment hield hij me tegen.
“Hoorde ik je zojuist met een Duits accent praten?”
“Ja, is het zo duidelijk?” zei ik verrast. “Ik heb jaren in Duitsland gewoond. Een goed jaar geleden ben ik met mijn hele familie teruggekomen. Mijn vader was leraar Frans in Frankfurt en ik ben daar opgegroeid. We zijn terug naar Parijs gegaan, omdat… nou ja, om al die politieke problemen. Als Fransman op Duits grondgebied is het niet meer veilig.”
“Frankfurt? Daar komt mijn beste vriend vandaan. Scholderer. Ook schilder. Een heel goede. Zit nu in London.”
We praatten nog verder. Over Frankrijk, over het Duitse politieke landschap, over de eindeloze ruzies tussen al deze gebieden, die nergens toe dienden. Over Duitse filosofen, over Goethe en vooral over Wagner, die ons beider lievelingscomponist bleek te zijn. Waar we ook over praatten, iedere keer merkten we dat onze interesses elkaar kruisten. Zelfs op het vlak van onze familie vonden we raakvlakken. We waren alletwee opgegroeid in een heel burgerlijk gezin en onze moeders bleken dezelfde voornaam te hebben, Hélène. Kun je je het voorstellen?
“Laat me je schilderij nog eens zien,” vroeg Henri.
Ik haalde het opnieuw tevoorschijn en hield het op, tegen het avondlicht. Henri bekeek het aandachtig.
“Weet je dat dat dat schilderij het eerste geweest is dat ik hier in het Louvre heb nageschilderd? Chardin, daar ben ik mee begonnen. Uitgerekend met dit stilleven. Je kopie is goed, heel mooi.”
Ik zou nog veel meer kunnen vertellen. Zo bijzonder was die dag. We hadden elkaar zoveel te vertellen. We struikelden over onze woorden.
De roddel ging al snel de ronde over Henri en mij. Victoria grinnikte bij de herinnering eraan. Berthe voelde zich gepasseerd, zoals gezegd was zij een bijzonder aantrekkelijke vrouw, modieus, elegant, en ik kleedde me nog steeds volgens de Duitse traditie in een wijde bruine vormeloze jurk. Schilderen was mijn passie en al de rest interesseerde me niet. Berthe liet weten aan wie het horen wilde dat de lange uren in het Louvre in het gezelschap van Mlle Dubourg – mijn achternaam – Henri geen geluk brachten. “Henri is lelijker en vervelender dan ooit. Als ik hem hoor praten, geef ik Degas geen ongelijk, die hem even zuur als een oude vrijster noemt, ” was haar commentaar.”

Vanaf die dag zagen we elkaar bijna dagelijks. Vaak in het Louvre. We zetten onze schildersezels dan langs elkaar en samen schilderden we eindelozen uren lang onze grote voorbeelden na. Of we gingen naar het atelier van Henri, op 8 rue des Beaux-Arts op linkeroever. Henri leerde mij in eerste instantie vooral mijn techniek van bloemenstillevens verbeteren. Dat was zijn specialiteit en daar verdiende hij vooral zijn brood mee. Stillevens, nature morte in het Frans. Zijn schilderijen waren heel puur. Simpel, op het eerste gezicht. Een boeket bloemen tegen een effen achtergrond. Soms op een tafel met nog enkele andere elementen, maar altijd sober. Zo wilde hij het, legde hij me uit. De bloemen waren het onderwerp, enkel de bloemen. Niets meer, niets minder. Hij wilde geen hoger liggende idealen overdragen. Je moet je nooit afvragen bij Henri wat hij bedoelde met zijn schilderijen. Het doek was wat het was. Kunst diende niet om een boodschap te brengen, kunst had alleen zichzelf als doel. Het enige dat er toe deed voor Henri was creatie van harmonie en bloemen leenden zich hier bij uitstek voor. De kleuren, vorm en textuur van bloemen zijn eindeloos gevarieerd en gaven hem de mogelijkheid iedere keer opnieuw te kunnen variëren op dit basisthema. Nu moet je niet denken dat het om botanische afbeeldingen ging, want dat was het zeker niet. De bloemen van Henri zijn pure elegantie, gracieus als een ballerina, poëtisch, melodieus, intiem. Schoonheid in zijn meest simpele essentie.

Hier nam Henri het gesprek over. Hij had een heel bijzondere manier van vertellen. Hij maakte geen zinnen, maar liet allerlei gedachtensprongen op elkaar volgen en stopte dan midden in een zin om te kijken of ik wel mee was met wat hij vertelde.

“Daarom ben ik met Victoria getrouwd,” begint hij terwijl hij haar dankbaar aankijkt. “Ze is precies de vrouw die ik zocht. Een vrouw moet haar man raad geven, achter hem staan, hem aanmoedigen, zijn leven organiseren. Dat is wat ik nodig had en zij heeft mij dat alles gegeven. Zij heeft mijn leven op het rechte pad gehouden. Ik werk, ik werk veel, dan werk ik teveel, het put me uit, ik word er moe van, ik concentreer me om het beste te geven. De kunst eist me helemaal op. De wereld rondom mij heb ik geleidelijk aan vaarwel gezegd. Ik wil niemand meer zien. Het leidt me af, het windt me op, het mat me af. Als kind al wist ik mijn gevoelens niet te uiten. Ik wist niet wat ik voelde, laat staan dat ik die gevoelens zou delen met iemand. Er was niets te delen. Ik keek naar de anderen, mijn vrienden, en voelde steeds die immense leegte. Als jongeman ben ik even uitgebroken uit deze beklemmende leegte. Ik maakte vrienden op de academie, in het Louvre waar ik ging werken, in de cafés waar alle jonge artiesten samen kwamen en praatten over kunst en hun toekomst. Wij vormden een groep van jongeren die elkaar trouw zworen, we gingen nieuwe kunst maken, weg van de oude gevestigde waarden. Wij, dat waren ik, Manet, Legros, Whistler, Degas, Millet, maar ook dichters als Baudelaire, Verlaine, Rimbaud,… wij waren samen, één voor allen, allen voor één. We zouden elkaar steunen, tot in de dood. Ik hield van die tijd. Wij tegen de wereld. Maar het duurde niet. De gevestigde orde begint te daveren op haar grondvesten. Wij wrikken, duwen en trekken. Zij geven een beetje toe, nog meer toe en dan ineens beginnen ze een beetje van onze kunst te houden. Dan meer en nog meer. Wij winnen. Dat is het begin van het einde. Want de nieuwe stroming wordt de norm. Het spel begint opnieuw. Iedereen, elke artiest, zou zijn eigen pad moeten volgen en zich eraan houden. Dat gebeurt niet. Een nieuwe groep ontstaat, de meute volgt, de pers volgt en alles is weer zoals vooraf aan. Ik herken mijn oude vrienden niet meer. Zij slaan de weg in die nu geplaveid is. Zoeken naar waardering in die nieuwe richting. Onze vriendschap verwatert. Ik blijf geloven in mijn stijl, niet in de nieuwe stijl. Ik ga voor mijn eigen oordeel, niet dat van een ander. Maar dat is niet wat de groep wil. Ik haak af. Mijn weg is het pad der eenzaamheid. En dan is er de oorlog. 1870. De oorlog tegen de Duitsers. Ik vind de Duitsers veel vooruitstrevender dan de Fransen. De Duitsers zijn moderner, terwijl de Fransen nog altijd in de tijd van de revolutie leven. Ik verafschuw geweld en duik onder. Mijn oude vrienden niet. Die trekken ten oorlog of ze wijken uit, naar Engeland. Ik blijf, hou me gedeisd. Als de oorlog over is, barst de Commune los in Parijs, een ware burgeroorlog. Mijn vrienden staan op de barricades. Ze steken alles in brand, vernielen kunstwerken. Hoe kan je dan van kunst houden? Dan keert de rust weer. Alles is anders nu. De jonge rebelse kunstenaars hebben het volledig gewonnen van de oude garde. Ze organiseren hun eigen tentoonstelling en hebben zowaar meer succes dan de tentoonstelling die de Staat houdt. Men noemt de nieuwe stroming Impressionisten. Ik hou niet van hun stijl en nog minder van hun houding. Geleidelijk aan verlies ik alle voeling met mijn vrienden. Ook thuis is er een leegte ontstaan. Mijn jongste zus Nathalie is opgenomen in Charenton, een psychiatrische instelling. Mijn andere zus is getrouwd met een Poolse kolonel en verhuisd naar Warschau. Mijn moeder overleden en mijn vader… hij wordt kinds. Het is in deze omstandigheden dat ik Victoria heb ontmoet. Ik was er rijp voor, was toen ook al drieëndertig. Toch heeft het nog acht jaar geduurd voor ik besloot met Victoria te trouwen. Ik heb mijn vader willen verzorgen tot op het einde. Een taak die ik graag op me heb genomen. Hij stierf in 1875. Het jaar erop zijn we getrouwd. Victoria was de beste vrouw die ik had kunnen vinden. Ik vond rust bij haar. Zij het een bijna dodelijke rust.

Victoria kijkt naar Henri en begrijpt hem. Ze zegt niets. Ze weet wat hij bedoelt. Alleen door als een dode te leven kon hij overleven. Ze heeft hem daarin geholpen. Dat was haar taak en dat was voor haar voldoende.
Dan kijkt ze naar buiten en zegt: “Hé, de zon schijnt. Weet je wat? Waarom gaan jullie niet even buiten zitten. Ze haalt een karafje wijn te voorschijn, glazen en zet het buiten op een dienblad. Henri neemt een rieten stoel en gaat lui achteruit liggen terwijl hij van zijn wijn nipt. Victoria gaat terug naar binnen en enkele secondes later horen we de eerste tonen van een sonate van Berlioz. Het is Victoria die aan de piano heeft plaatsgenomen. Ik zit aan de rand van het graf en laat me meeslepen door de muziek. Henri heeft een cigaar opgestoken en blaast zorgeloos kringetjes die langzaam opgaan in de koele lucht. Ik volg de kronkelige vormen naar boven en kijk hoe de laatste zonnestralen van deze novemberdag hun best doen om ons nog te verwarmen. Even dommel ik weg en een seconde later voel ik dat de zon weg is. Ook de muziek is gestopt, besef ik. En als ik langs me kijk naar Henri, is alles leeg. Alleen een grafsteen. Onberispelijk schoon. Geen bloemen noch kransen. Hij en Victoria hadden elkaar en voor hen was dat genoeg. Meer wilden of konden ze niet aan.

ps 1 De tentoonstelling over Henri Fantin-Latour A fleur de peau loopt nog tot 12 februari 2017 in het Musée du Luxembourg.

ps 2 De tekst hierboven belicht enkel de bloemenstillevens van Henri Fantin-Latour. Zijn werken omvatten echter veel meer dan bloemen. Fantin heeft een groot aantal prachtige portretten geschilderd en een aantal schilderijen die tot de groep ‘dromen en fantasieën” behoren.

IMG_1803.JPG

Zelfportret Henri Fantin-Latour, 1861

483px-Edgar_Degas_-_Victoria_Dubourg_-_Google_Art_Project.jpg

Portret van Victoria Dubourg, Degas, 1869

IMG_1824.JPG

Graf Henri Fantin-Latour en Famille Dubourg, Begraafplaats Montparnasse, 10e divisie

IMG_1807.JPG

Detail van bloemenschilderij van Henri Fantin-Latour

IMG_1804.JPG

Portret van dichters Verlaine en Rimbaud, Detail uit un coin de table, Henri Fantin-Latour, 1872

[Recueil_Fantin-Latour_et_sa_famille_[-3...]_btv1b84323617.JPEG

Henri Fantin-Latour en Victoria Dubourg in hun atelier te Parijs (ca. 1902)

Naamloos.png

Victoria Dubourg aan de piano (1902)

IMG_1814.JPG

Gebakje Victoria bij Tearoom Angelina langs het Musée du Luxembourg

Bronnen
Fantin-Latour, sa vie et ses amitiés; lettres inédites et souvenirs personnels, Adolphe Jullien, Paris, 1909 (Jullien was een goede vriend van Henri Fantin-Latour en schreef een biografie over het leven van de schrijver. Dit boek geldt als best bewaarde bron)
http://www.elseviermaandschrift.nl/EGM/1928/01/19280101/EGM-19280101-0191/story.pdf (Mooie tekst over personaliteit van Henri Fantin-Latour)
Fantin-Latour, Gustave Kahn, 1927
Fantin-Latour, Jean-Jacques Lévèque, ACR PocheCouleur, Paris, 1996
Henri Fantin-Latour 1836 – 1904, Henk Verveer, henkverveer.nl (Zeer uitgebreide documentatie over de portretten van Henri Fantin-Latour)
Correspondance Fantin-Latour & Scholderer, Quellen-perspectivia.net
The correspondance of James Mc Neill Whistler, online
The pictorial world of Henri Fantin-Latour, utcp.c.u-Tokyo.ac.jp
Fantin-Latour et sa famille, dans son atelier (foto’s), gallica.bnf.fr
Fantin-Latour à Buré (foto’s), gallica.bnf.fr
Fellow Men: Fantin-Latour and the problem of the Group in Nineteenth-Century French Painting, Bridget Alsdorf, 2012
https://archive.org/stream/expositiondeluvr00fant/expositiondeluvr00fant_djvu.txt
 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: